Thursday, January 08, 2004
eBay blijft groeien, maar er komt concurrentie
De internet-veilingsite eBay blijft groeien. Volgens ProfNews werd er in 2003 voor ongeveer twintig miljard dollar aan spullen verhandeld via de site. Het succes heeft echter ook de concurrentie aan het denken gezet en ook op andere websites worden nu tweedehands-goederen aangeboden.
In het laatste kwartaal van het jaar zou de nettowinst van eBay zelfs opgelopen zijn tot 103 miljoen dollar, volgens ProfNews een stijging van 69% in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. “De nettowinst zal in 2005 naar verwachting oplopen tot circa drie miljard dollar,” aldus nog ProfNews. “Naar schatting enkele tienduizenden mensen gebruiken eBay om zich full-time bezig te houden met het verkopen van producten.”
ProfNews voegt er aan toe dat het succes van eBay niet ongemerkt is voorbijgegaan aan de concurrentie. “Zo biedt Amazon behalve nieuwe, nu ook tweedehands-producten te koop aan,” wordt er opgemerkt. “Er is een aantal mogelijkheden om deze concurrentie het hoofd te bieden. Zo zou eBay ervoor kunnen kiezen om deals te sluiten met grote bedrijven zoals IBM, Motorola en Sears, die de site nu al vaak gebruiken om van hun overtollige producten af te komen.”
Chief executive Meg Whitman lijkt echter niet van plan te zijn om deze grote bedrijven een voorkeursbehandeling te geven. “Zij streeft vooral naar een instandhouding en verbetering van de bestaande infrastructuur, bijvoorbeeld het feedback systeem waarin kopers en verkopers elkaar beoordelen,” besluit het ProfNews-artikel. “Dat wordt algemeen beschouwd als de voornaamste kracht van eBay.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
De internet-veilingsite eBay blijft groeien. Volgens ProfNews werd er in 2003 voor ongeveer twintig miljard dollar aan spullen verhandeld via de site. Het succes heeft echter ook de concurrentie aan het denken gezet en ook op andere websites worden nu tweedehands-goederen aangeboden.
In het laatste kwartaal van het jaar zou de nettowinst van eBay zelfs opgelopen zijn tot 103 miljoen dollar, volgens ProfNews een stijging van 69% in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. “De nettowinst zal in 2005 naar verwachting oplopen tot circa drie miljard dollar,” aldus nog ProfNews. “Naar schatting enkele tienduizenden mensen gebruiken eBay om zich full-time bezig te houden met het verkopen van producten.”
ProfNews voegt er aan toe dat het succes van eBay niet ongemerkt is voorbijgegaan aan de concurrentie. “Zo biedt Amazon behalve nieuwe, nu ook tweedehands-producten te koop aan,” wordt er opgemerkt. “Er is een aantal mogelijkheden om deze concurrentie het hoofd te bieden. Zo zou eBay ervoor kunnen kiezen om deals te sluiten met grote bedrijven zoals IBM, Motorola en Sears, die de site nu al vaak gebruiken om van hun overtollige producten af te komen.”
Chief executive Meg Whitman lijkt echter niet van plan te zijn om deze grote bedrijven een voorkeursbehandeling te geven. “Zij streeft vooral naar een instandhouding en verbetering van de bestaande infrastructuur, bijvoorbeeld het feedback systeem waarin kopers en verkopers elkaar beoordelen,” besluit het ProfNews-artikel. “Dat wordt algemeen beschouwd als de voornaamste kracht van eBay.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Irak kent krantenexplosie
Het verdwijnen van het Saddam-regime heeft in Irak tot een heuse explosie op de krantenmarkt geleid. In de San Franciso Chronicle schat journalist Matthew B. Stannard dat hun aantal inmiddels al is opgelopen tot ergens tussen de 140 en 200.
“Ik kan schrijven waarover ik wil,” vertelde Al-Ahaed al-Jadied, uitgever-hoofdredacteur-columnist, aan Stannard. “Ik kan negatief of positief over de Amerikanen schrijven en ik kan hetzelfde doen over de regeringsraad. Dat is vrijheid.” De carrière van Al-Jadied gaat terug tot &959, toen hij in zijn editorialen de toenmalige eerste minister Abdul Karim Qasim ondersteunde. In 1963 werd de Qasim-regering echter door een coup van de Baath-partij aan de kant geschoven. Niet land daarna werd de krant van Al-Jadied gesloten en de man zelf moest proberen aan de kost te komen als reclameman en drukker. “Dertig jaar later is hij echter weer terug als krantenmaker,” aldus Stannard. “Hij voegt er aan toe niet te denken dat de Amerikanen zijn redactie zullen opdoeken wanneer hij hen een negatieve pers geeft.”
Stannard merkt op dat Irak voor de oorlog vier kranten en een vijftal weekbladen kende, allemaal strikt gecontroleerd door de regering, die ook buitenlandse kranten vernietigden of censureerden. Nada Shawket schreef 27 jaar lang voor een Iraakse staatskrant. “Hij geeft toe dat ze wisten dat ze over hun leiders logen, maar dat ze niet anders konden dan gehoorzamen,” aldus Stannard. Shawket werkt nu voor Azzaman, een krant die opgericht werd door een Iraakse banneling en met een oplage van 60.000 exemplaren één van de grootste van het land.
“Het Saddam-regime onderdrukte elke andere vorm van opinies en ideeën,” merkte Sadiq al-Rikabi, uitgever van de krant Al-Bayan. Die wordt uitgegeven door de islamitische Daawa-partij. “Er was slechts één opinie, die van Saddam en het regime,” benadrukte al-Rikabi. “Na de val van het regime hebben we tenminste toch de vrijheid. Vrijheid om te zeggen, te schrijven en te tonen wat we denken.”
Stannard stelt dat onder Saddam de controle op de media zich zelfs uitspreidde over publicaties die zich niet met politiek bezig hielden. “Wij konden alleen maar overleven door ver uit de buurt te blijven van politieke onderwerpen,” getuigde Abul Hussein Breesam, journalist bij het literaire en culturele tijdschrift
Alif Baa. “Bovendien moesten we geregeld de voorpagina – en de helft van de andere bladzijden – vullen met foto’s van de leider. Bij elk woord dat we schreven, hadden we het gevoel dat we bespied werden. We moesten ons telkens goed afvragen of het zou beschouwd kunnen worden als een kritiek op het regime.”
Het Iraakse krantenlandschap oogt volgens Stannard op dit ogenblik trouwens bijzonder bont. “Er zijn verschillende formaten en oplages, maar ook inhoudelijk vertolken ze meest diverse meningen,” schrijft hij.De meeste kranten verschijnen in het Arabisch, maar er zijn ook enkele Engelstalige exemplaren.
“Volgens al-Jadied zijn die kranten bijzonder belangrijk,” aldus Stannard. “Hij stelt dat de mensen ze nodig hebben om beslissingen te nemen, want ze moeten het land heropbouwen en daarbij de waarheid weten. Maar dat is niet altijd even eenvoudig.”
Breesam stelt dat Alif Baa nu een onafhankelijk nieuwsmagazine is. “Het is nog altijd dezelfde redactie,” merkt hij op. “Het tijdschrift wordt immers al 35 jaar gepubliceerd. De redactie betaalde uit eigen geldbeugel om Alif Baa verder te kunnen zetten.” Stannard merkt daarbij op dat een groot aantal van de Iraakse kranten met verlies werken. “De redactie werkt op vrijwilligersbasis of betaalt zelfs om de productiekosten te helpen dekken.”
“We houden nu eenmaal van onze job,” vertelde Nasir al-Awam, uitgever van Al Awar, aan Stannard. “Al-Awam werkt al vier maanden lang zonder inkomsten,” aldus de SFG-journalist. “Hij wil immers zijn droom waarmaken om van zijn locale krant een regionaal medium te maken.” Stannard merkt op dat de krantenexplosie een groot aantal Irakezen heeft overdonderd. “Er worden kranten gelezen in internet-café’s, in kebab-restaurants en in de files voor de verkooppunten van brandstof,” stelt hij. “Geraamd wordt dat er uiteindelijk een tiental kwalitatieve kranten zullen overblijven.”
Sommigen beweren dat het mediagebeuren in Irak ook na Saddam niet helemaal vrij is. “Abdul Saitar al-Shalan, uitgever van Al-Mustekela, werd door Amerikaanse troepen gearresteerd omdat hij in de krant een fatwa, geschreven door een vooraanstaande geestelijke, had gepubliceerd,” aldus Stannard. “Al-Shalan ontkent trouwens de beschuldigingen van andere journalisten dat Al-Mustekela het regime van Saddam ondersteunt. Hij beweert dat Al-Mustekela na de oorlog één van de eerste onafhankelijke kranten was. Bovendien wijst hij erop dat hij verscheidene regionale journalistieke prijzen heeft behaald en dat hij artikels heeft geschreven over de folteringen onder het Saddam-regime.”
Al-Shalan voegde er aan toe dat hij door het publiceren van de fatwa alleen maar de opinie van de man in de straat wou weergeven. “De geestelijke stelde dat iedereen die met de Zionisten samenwerkt, gedood moet worden,” aldus de Mustekela-uitgever. “Wij hebben die uitspraak in de krant vermeld.” Uit een fragment dat Stannard uit het bewuste artikel overneemt, moet echter een andere visie blijken. “Al-Mustekela zal de namen publiceren van zij die hun eer en thuis verkocht hebben en hun volk hebben verraden door te spioneren voor de Zionisten of de Amerikaanse bezetters,” staat er te lezen. “En we zullen aan het volk vragen over hen te oordelen.”
Stannard zegt dat de arrestatie werd bevestigd door de Amerikaanse legerleiding. “Er werd aan toegevoegd dat al-Shalan een verordening had overtreden waarin gesteld wordt dat het aanzetten tot gewelddadige acties tegen eender welk individu of groep, met inbegrip van de bezettingslegers en de voorlopige regering, verboden is,” aldus Stannard. “Al-Shalan beweert dat het overgrote deel van de uitrusting van de krant in beslag genomen is en nooit werd teruggegeven. De krant is nochtans opnieuw op de markt en hij laat verstaan dat hij een gelijkaardige fatwa opnieuw zou publiceren.”
Al-Shalan gaf toe dat er na de oorlog een zekere vorm van vrijheid is gekomen, maar dat is volgens hem geen volledige vrijheid. “Het is alleen de vrijheid die de Amerikanen willen,” vertelde hij de SFG-journalist. “Andere journalisten merken echter op daar niets van te ondervinden, ook al leveren ze kritiek op de Amerikaanse aanwezigheid,” aldus Stannard. “Zij zeggen dat vooral een gebrek aan ervaring en mogelijkheden hun werk bemoeilijken.”
Stannard voegt er aan toe dat volgens woordvoerders van de coalitie een aantal Iraakse journalisten een basisopleiding krijgen in Jordanië. “Een tiental onder hen is volgens dezelfde bronnen nu aan de slag en er zouden plannen zijn om het programma uit te breiden. Iraakse journalisten zegden die hulp graag te aanvaarden en op verdere steun te hopen, zowel op het gebied van training als op financieel vlak.”
In zijn artikel schrijft Stannard tenslotte dat de Iraakse journalisten al ervaren hebben dat de pers echt een macht kan zijn. “Al-Jadied zegt in zijn eerste editoriaal president Bush bekritiseerd te hebben omdat de prijzen van petroleum voor huishoudelijk gebruik niet onder controle gehouden werden,” schrijft hij. “Twee dagen later was er volgens hem goedkoop keukengas op de markt.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Het verdwijnen van het Saddam-regime heeft in Irak tot een heuse explosie op de krantenmarkt geleid. In de San Franciso Chronicle schat journalist Matthew B. Stannard dat hun aantal inmiddels al is opgelopen tot ergens tussen de 140 en 200.
“Ik kan schrijven waarover ik wil,” vertelde Al-Ahaed al-Jadied, uitgever-hoofdredacteur-columnist, aan Stannard. “Ik kan negatief of positief over de Amerikanen schrijven en ik kan hetzelfde doen over de regeringsraad. Dat is vrijheid.” De carrière van Al-Jadied gaat terug tot &959, toen hij in zijn editorialen de toenmalige eerste minister Abdul Karim Qasim ondersteunde. In 1963 werd de Qasim-regering echter door een coup van de Baath-partij aan de kant geschoven. Niet land daarna werd de krant van Al-Jadied gesloten en de man zelf moest proberen aan de kost te komen als reclameman en drukker. “Dertig jaar later is hij echter weer terug als krantenmaker,” aldus Stannard. “Hij voegt er aan toe niet te denken dat de Amerikanen zijn redactie zullen opdoeken wanneer hij hen een negatieve pers geeft.”
Stannard merkt op dat Irak voor de oorlog vier kranten en een vijftal weekbladen kende, allemaal strikt gecontroleerd door de regering, die ook buitenlandse kranten vernietigden of censureerden. Nada Shawket schreef 27 jaar lang voor een Iraakse staatskrant. “Hij geeft toe dat ze wisten dat ze over hun leiders logen, maar dat ze niet anders konden dan gehoorzamen,” aldus Stannard. Shawket werkt nu voor Azzaman, een krant die opgericht werd door een Iraakse banneling en met een oplage van 60.000 exemplaren één van de grootste van het land.
“Het Saddam-regime onderdrukte elke andere vorm van opinies en ideeën,” merkte Sadiq al-Rikabi, uitgever van de krant Al-Bayan. Die wordt uitgegeven door de islamitische Daawa-partij. “Er was slechts één opinie, die van Saddam en het regime,” benadrukte al-Rikabi. “Na de val van het regime hebben we tenminste toch de vrijheid. Vrijheid om te zeggen, te schrijven en te tonen wat we denken.”
Stannard stelt dat onder Saddam de controle op de media zich zelfs uitspreidde over publicaties die zich niet met politiek bezig hielden. “Wij konden alleen maar overleven door ver uit de buurt te blijven van politieke onderwerpen,” getuigde Abul Hussein Breesam, journalist bij het literaire en culturele tijdschrift
Alif Baa. “Bovendien moesten we geregeld de voorpagina – en de helft van de andere bladzijden – vullen met foto’s van de leider. Bij elk woord dat we schreven, hadden we het gevoel dat we bespied werden. We moesten ons telkens goed afvragen of het zou beschouwd kunnen worden als een kritiek op het regime.”
Het Iraakse krantenlandschap oogt volgens Stannard op dit ogenblik trouwens bijzonder bont. “Er zijn verschillende formaten en oplages, maar ook inhoudelijk vertolken ze meest diverse meningen,” schrijft hij.De meeste kranten verschijnen in het Arabisch, maar er zijn ook enkele Engelstalige exemplaren.
“Volgens al-Jadied zijn die kranten bijzonder belangrijk,” aldus Stannard. “Hij stelt dat de mensen ze nodig hebben om beslissingen te nemen, want ze moeten het land heropbouwen en daarbij de waarheid weten. Maar dat is niet altijd even eenvoudig.”
Breesam stelt dat Alif Baa nu een onafhankelijk nieuwsmagazine is. “Het is nog altijd dezelfde redactie,” merkt hij op. “Het tijdschrift wordt immers al 35 jaar gepubliceerd. De redactie betaalde uit eigen geldbeugel om Alif Baa verder te kunnen zetten.” Stannard merkt daarbij op dat een groot aantal van de Iraakse kranten met verlies werken. “De redactie werkt op vrijwilligersbasis of betaalt zelfs om de productiekosten te helpen dekken.”
“We houden nu eenmaal van onze job,” vertelde Nasir al-Awam, uitgever van Al Awar, aan Stannard. “Al-Awam werkt al vier maanden lang zonder inkomsten,” aldus de SFG-journalist. “Hij wil immers zijn droom waarmaken om van zijn locale krant een regionaal medium te maken.” Stannard merkt op dat de krantenexplosie een groot aantal Irakezen heeft overdonderd. “Er worden kranten gelezen in internet-café’s, in kebab-restaurants en in de files voor de verkooppunten van brandstof,” stelt hij. “Geraamd wordt dat er uiteindelijk een tiental kwalitatieve kranten zullen overblijven.”
Sommigen beweren dat het mediagebeuren in Irak ook na Saddam niet helemaal vrij is. “Abdul Saitar al-Shalan, uitgever van Al-Mustekela, werd door Amerikaanse troepen gearresteerd omdat hij in de krant een fatwa, geschreven door een vooraanstaande geestelijke, had gepubliceerd,” aldus Stannard. “Al-Shalan ontkent trouwens de beschuldigingen van andere journalisten dat Al-Mustekela het regime van Saddam ondersteunt. Hij beweert dat Al-Mustekela na de oorlog één van de eerste onafhankelijke kranten was. Bovendien wijst hij erop dat hij verscheidene regionale journalistieke prijzen heeft behaald en dat hij artikels heeft geschreven over de folteringen onder het Saddam-regime.”
Al-Shalan voegde er aan toe dat hij door het publiceren van de fatwa alleen maar de opinie van de man in de straat wou weergeven. “De geestelijke stelde dat iedereen die met de Zionisten samenwerkt, gedood moet worden,” aldus de Mustekela-uitgever. “Wij hebben die uitspraak in de krant vermeld.” Uit een fragment dat Stannard uit het bewuste artikel overneemt, moet echter een andere visie blijken. “Al-Mustekela zal de namen publiceren van zij die hun eer en thuis verkocht hebben en hun volk hebben verraden door te spioneren voor de Zionisten of de Amerikaanse bezetters,” staat er te lezen. “En we zullen aan het volk vragen over hen te oordelen.”
Stannard zegt dat de arrestatie werd bevestigd door de Amerikaanse legerleiding. “Er werd aan toegevoegd dat al-Shalan een verordening had overtreden waarin gesteld wordt dat het aanzetten tot gewelddadige acties tegen eender welk individu of groep, met inbegrip van de bezettingslegers en de voorlopige regering, verboden is,” aldus Stannard. “Al-Shalan beweert dat het overgrote deel van de uitrusting van de krant in beslag genomen is en nooit werd teruggegeven. De krant is nochtans opnieuw op de markt en hij laat verstaan dat hij een gelijkaardige fatwa opnieuw zou publiceren.”
Al-Shalan gaf toe dat er na de oorlog een zekere vorm van vrijheid is gekomen, maar dat is volgens hem geen volledige vrijheid. “Het is alleen de vrijheid die de Amerikanen willen,” vertelde hij de SFG-journalist. “Andere journalisten merken echter op daar niets van te ondervinden, ook al leveren ze kritiek op de Amerikaanse aanwezigheid,” aldus Stannard. “Zij zeggen dat vooral een gebrek aan ervaring en mogelijkheden hun werk bemoeilijken.”
Stannard voegt er aan toe dat volgens woordvoerders van de coalitie een aantal Iraakse journalisten een basisopleiding krijgen in Jordanië. “Een tiental onder hen is volgens dezelfde bronnen nu aan de slag en er zouden plannen zijn om het programma uit te breiden. Iraakse journalisten zegden die hulp graag te aanvaarden en op verdere steun te hopen, zowel op het gebied van training als op financieel vlak.”
In zijn artikel schrijft Stannard tenslotte dat de Iraakse journalisten al ervaren hebben dat de pers echt een macht kan zijn. “Al-Jadied zegt in zijn eerste editoriaal president Bush bekritiseerd te hebben omdat de prijzen van petroleum voor huishoudelijk gebruik niet onder controle gehouden werden,” schrijft hij. “Twee dagen later was er volgens hem goedkoop keukengas op de markt.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Bedrijven besteden meer aandacht aan hun website
Bedrijven beginnen stilaan moeite te doen om werk te maken van hun websites. Dat wordt alvast beweerd in het derde ‘Annual Report on The Home Pages of the UK’s Top 100 Companies’ Corporate Web Sites’ van het webontwikkelaar Interactive Bureau. Vorig jaar werd er gesteld dat de websites van de belangrijkste Engelse bedrijven zich wentelden in middelmatigheid. Dit jaar wordt er volgens het Interactive Bureau echter een positieve ontwikkeling vastgesteld.
In de eerste editie van ‘The Home Pages’ werd opgeworpen dat de homepages erbarmelijk tekort schoten, terwijl ook vorig jaar nog gesteld werd dat een aantal websites zo slecht waren dat ze helemaal moesten ontmanteld worden en van begin af aan opnieuw opgebouwd moesten worden. “Maar dit jaar ziet het onderzoek een vooruitgang,” merkt Tim Richardson in The Register op. “De meeste websites beginnen volgens de studie de basisbeginselen, met links naar nieuws en contactmogelijkheden, toe te passen. Ook de algemene opmaak is verbeterd, terwijl het navigeren gemakkelijker is en ook de oplaadtijden verbeteren.”
De studie stelde verder dat de websites ook hun publiek beginnen te kennen en te weten wat de bezoeker verwacht. “Websites worden nu opgebouwd om aan die behoeften en verwachtingen tegemoet te komen,” merkte samensteller Adrian Porter op. “Op gebied van opmaak lijkt alles vooral in het teken te staan van eenvoud, waarschijnlijk in een poging om de onderhoudskosten de drukken en de toegankelijkheid te verbeteren. Maar dat geeft de websites ook de mogelijkheid om snel te reageren op nieuws en gebeurtenissen.”
Toch zegt het Interactive Bureau dat nog altijd een derde van de onderzochte bedrijven nog altijd niet doorheeft hoe een website kan gebruikt worden. “Sommigen tonen ook weinig ambitie om daar ook maar iets aan te verbeteren,” aldus Richardson. “Het is verbijsterend hoe een aantal bedrijven sommige sleutelgroepen uit zijn publiek – investeerders en media – behandelt door hen het bijzonder moeilijk te maken om informatie te vergaren,” aldus Porter. “Bedrijven moeten beseffen dat men geen website kan creëren om ze vervolgens helemaal te laten bestoffen.”
Porter stelt dat een aantal bedrijven zijn publiek blijkbaar als van ondergeschikt belang beschouwt. “Zij blijken zich niet veel zorgen te maken over het imago dat ze hebben of de indruk die ze maken door hun belangrijke doelgroepen – media, investeerders, potentiële investeerders en potentiële werknemers – armzalige homepages voor te schotelen.”
Shell heeft volgens het Interactive Bureau de beste Engelse bedrijfswebsite, gevolgd door National Grid, Pearson, Standard Chartered en Yell Group. De armzaligste is Foreign & Colonial, maar ook Reed Elsevier, Next, Provident Financial en Carnival kennen er volgens de studie niet al te veel van.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Bedrijven beginnen stilaan moeite te doen om werk te maken van hun websites. Dat wordt alvast beweerd in het derde ‘Annual Report on The Home Pages of the UK’s Top 100 Companies’ Corporate Web Sites’ van het webontwikkelaar Interactive Bureau. Vorig jaar werd er gesteld dat de websites van de belangrijkste Engelse bedrijven zich wentelden in middelmatigheid. Dit jaar wordt er volgens het Interactive Bureau echter een positieve ontwikkeling vastgesteld.
In de eerste editie van ‘The Home Pages’ werd opgeworpen dat de homepages erbarmelijk tekort schoten, terwijl ook vorig jaar nog gesteld werd dat een aantal websites zo slecht waren dat ze helemaal moesten ontmanteld worden en van begin af aan opnieuw opgebouwd moesten worden. “Maar dit jaar ziet het onderzoek een vooruitgang,” merkt Tim Richardson in The Register op. “De meeste websites beginnen volgens de studie de basisbeginselen, met links naar nieuws en contactmogelijkheden, toe te passen. Ook de algemene opmaak is verbeterd, terwijl het navigeren gemakkelijker is en ook de oplaadtijden verbeteren.”
De studie stelde verder dat de websites ook hun publiek beginnen te kennen en te weten wat de bezoeker verwacht. “Websites worden nu opgebouwd om aan die behoeften en verwachtingen tegemoet te komen,” merkte samensteller Adrian Porter op. “Op gebied van opmaak lijkt alles vooral in het teken te staan van eenvoud, waarschijnlijk in een poging om de onderhoudskosten de drukken en de toegankelijkheid te verbeteren. Maar dat geeft de websites ook de mogelijkheid om snel te reageren op nieuws en gebeurtenissen.”
Toch zegt het Interactive Bureau dat nog altijd een derde van de onderzochte bedrijven nog altijd niet doorheeft hoe een website kan gebruikt worden. “Sommigen tonen ook weinig ambitie om daar ook maar iets aan te verbeteren,” aldus Richardson. “Het is verbijsterend hoe een aantal bedrijven sommige sleutelgroepen uit zijn publiek – investeerders en media – behandelt door hen het bijzonder moeilijk te maken om informatie te vergaren,” aldus Porter. “Bedrijven moeten beseffen dat men geen website kan creëren om ze vervolgens helemaal te laten bestoffen.”
Porter stelt dat een aantal bedrijven zijn publiek blijkbaar als van ondergeschikt belang beschouwt. “Zij blijken zich niet veel zorgen te maken over het imago dat ze hebben of de indruk die ze maken door hun belangrijke doelgroepen – media, investeerders, potentiële investeerders en potentiële werknemers – armzalige homepages voor te schotelen.”
Shell heeft volgens het Interactive Bureau de beste Engelse bedrijfswebsite, gevolgd door National Grid, Pearson, Standard Chartered en Yell Group. De armzaligste is Foreign & Colonial, maar ook Reed Elsevier, Next, Provident Financial en Carnival kennen er volgens de studie niet al te veel van.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Wednesday, January 07, 2004
Witte Paters sluiten ANB-persbureau
Het African News Bulletin (ANB-BIA) houdt op te bestaan. Dat meldt Gazet van Antwerpen. Het persagentschap van de Witte Paters werd twintig jaar geleden opgericht en wilde informatie en analyses brengen over het dagelijkse leven in Afrika. Het secretariaat van het persbureau was gevestigd in Brussel.
Tot de sluiting van het persbureau werd volgens Gazet van Antwerpen besloten omdat men de technologische evoluties niet meer kon volgen en men niet langer de concurrentie van andere online-persagentschappen aankon. ANB-BIA raakte vooral bekend dankzij het verspreiden van Franstalige en Engelstalige informatie over Afrikaanse landen, maar het persagentschap publiceerde ook geregeld documenten en analyses voor een ruimer publiek.
“Recent nog maakte het ANB-BIA de overstap naar de elektronische nieuwsverspreiding, al beschikte het agentschap niet over een eigen website,” aldus Gazet van Antwerpen. “ANB-BIA begaf het vooral onder de concurrentie van het katholieke persagentschap MISNA, dat steeds meer lezers van ANB-BIA overnam. Uiteindelijk moest het agentschap de duimen leggen voor de informatie op het internet, dat veel sneller is en korter op de bal speelt.” De archieven van ANB-BIA kunnen nog wel geraadpleegd worden op de website van Peacelink (www.peacelink.it/anb-bia.html).
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Het African News Bulletin (ANB-BIA) houdt op te bestaan. Dat meldt Gazet van Antwerpen. Het persagentschap van de Witte Paters werd twintig jaar geleden opgericht en wilde informatie en analyses brengen over het dagelijkse leven in Afrika. Het secretariaat van het persbureau was gevestigd in Brussel.
Tot de sluiting van het persbureau werd volgens Gazet van Antwerpen besloten omdat men de technologische evoluties niet meer kon volgen en men niet langer de concurrentie van andere online-persagentschappen aankon. ANB-BIA raakte vooral bekend dankzij het verspreiden van Franstalige en Engelstalige informatie over Afrikaanse landen, maar het persagentschap publiceerde ook geregeld documenten en analyses voor een ruimer publiek.
“Recent nog maakte het ANB-BIA de overstap naar de elektronische nieuwsverspreiding, al beschikte het agentschap niet over een eigen website,” aldus Gazet van Antwerpen. “ANB-BIA begaf het vooral onder de concurrentie van het katholieke persagentschap MISNA, dat steeds meer lezers van ANB-BIA overnam. Uiteindelijk moest het agentschap de duimen leggen voor de informatie op het internet, dat veel sneller is en korter op de bal speelt.” De archieven van ANB-BIA kunnen nog wel geraadpleegd worden op de website van Peacelink (www.peacelink.it/anb-bia.html).
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Bush-spotjes schieten joden in het verkeerde keelgat
Joodse groeperingen hebben scherp geprotesteerd tegen twee politieke filmspotjes waarbij de Amerikaanse president George Bush werd vergeleken met Adolf Hitler. De spotjes maakten deel uit van een wedstrijd en stonden op de website van de liberaal-democratische groep MoveOn.
Het Simon Wiesenthal Center, de Anti-Defamation League en het American Jewish Congress stelden dat de spotjes niets te maken hadden met een politieke discussie. De republikeinse politicus Eric Cantor, zelf joods, stelde dat op deze manier aangezet wordt tot haat. “Het vergelijken van eender welke Amerikaanse president met Hitler, is een belediging voor de miljoenen levens die Amerika in zijn geschiedenis verloren heeft en maakt het Amerikaanse leger belachelijk,” stelde hij.
De twee spotjes werden opgenomen in het kader van een filmwedstrijd die georganiseerd werd door het liberaal-democratische MoveOn.org. De inhoud van de spots moest kritiek vormen op het beleid van George W. Bush. In The Wall Street Journal schreef ook Jack Rosen, voorzitter van de journalistenvereniging AJC, dat de vergelijking niet alleen de geschiedenis tekort doet, maar ook moreel compleet onaanvaardbaar is.
MoveOn.org had in het wedstrijdreglement vermeld dat er geen materiaal zou geplaatst worden dat ongeschikt zou zijn voor televisie, maar dat de deelnemers voor de rest volledig vrij waren in het kiezen en het uitwerken van hun scenario’s.
Ed Gillespie, voorzitter van het Republican National Committee, merkte op dat de organisatie de betrokken filmpjes toe de selectie toeliet en daarmee aangaf van ze wel degelijk geschikt te vinden om op televisie uitgezonden te worden. Hij vroeg dan ook dat MoveOn.org zich zou verontschuldigen.
De twee gecontesteerde spots zijn op de website van MoveOn.org niet langer te bekijken, want de wedstrijd eindigde op het einde van vorig jaar. Het Republican National Committee plaatste de scripts echter op zijn eigen website (www.rnc.org). Woordvoerders van MoveOn.org merkten dat het tonen van de spots niet wilde zeggen dat de vereniging achter de inhoud ervan stond en voegde er aan toe dat ze zelf de teneur had afgewezen.
Juryvoorzitter Wes Boyd stelde dat de spots slechts twee van de meer dan 1.500 inzendingen waren en niet door de vereniging ondersteund of gesponsord werden. “De spots zullen niet op televisie verschijnen en wij staan ook niet achter de inhoud,” merkte hij op. Hij herinnerde daarbij echter wel aan een politieke advertentie van de republikeinen de gezichten van Saddam Hoessein en Osama Bin Laden gebruikt hadden om democratische senatoren aan te vallen. Boyd beloofde wel bij gelijkaardige initiatieven in de toekomst een beter filtersysteem te zullen gebruiken.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Joodse groeperingen hebben scherp geprotesteerd tegen twee politieke filmspotjes waarbij de Amerikaanse president George Bush werd vergeleken met Adolf Hitler. De spotjes maakten deel uit van een wedstrijd en stonden op de website van de liberaal-democratische groep MoveOn.
Het Simon Wiesenthal Center, de Anti-Defamation League en het American Jewish Congress stelden dat de spotjes niets te maken hadden met een politieke discussie. De republikeinse politicus Eric Cantor, zelf joods, stelde dat op deze manier aangezet wordt tot haat. “Het vergelijken van eender welke Amerikaanse president met Hitler, is een belediging voor de miljoenen levens die Amerika in zijn geschiedenis verloren heeft en maakt het Amerikaanse leger belachelijk,” stelde hij.
De twee spotjes werden opgenomen in het kader van een filmwedstrijd die georganiseerd werd door het liberaal-democratische MoveOn.org. De inhoud van de spots moest kritiek vormen op het beleid van George W. Bush. In The Wall Street Journal schreef ook Jack Rosen, voorzitter van de journalistenvereniging AJC, dat de vergelijking niet alleen de geschiedenis tekort doet, maar ook moreel compleet onaanvaardbaar is.
MoveOn.org had in het wedstrijdreglement vermeld dat er geen materiaal zou geplaatst worden dat ongeschikt zou zijn voor televisie, maar dat de deelnemers voor de rest volledig vrij waren in het kiezen en het uitwerken van hun scenario’s.
Ed Gillespie, voorzitter van het Republican National Committee, merkte op dat de organisatie de betrokken filmpjes toe de selectie toeliet en daarmee aangaf van ze wel degelijk geschikt te vinden om op televisie uitgezonden te worden. Hij vroeg dan ook dat MoveOn.org zich zou verontschuldigen.
De twee gecontesteerde spots zijn op de website van MoveOn.org niet langer te bekijken, want de wedstrijd eindigde op het einde van vorig jaar. Het Republican National Committee plaatste de scripts echter op zijn eigen website (www.rnc.org). Woordvoerders van MoveOn.org merkten dat het tonen van de spots niet wilde zeggen dat de vereniging achter de inhoud ervan stond en voegde er aan toe dat ze zelf de teneur had afgewezen.
Juryvoorzitter Wes Boyd stelde dat de spots slechts twee van de meer dan 1.500 inzendingen waren en niet door de vereniging ondersteund of gesponsord werden. “De spots zullen niet op televisie verschijnen en wij staan ook niet achter de inhoud,” merkte hij op. Hij herinnerde daarbij echter wel aan een politieke advertentie van de republikeinen de gezichten van Saddam Hoessein en Osama Bin Laden gebruikt hadden om democratische senatoren aan te vallen. Boyd beloofde wel bij gelijkaardige initiatieven in de toekomst een beter filtersysteem te zullen gebruiken.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
McDonald’s vertelt wat het serveert
McDonald’s is in Amerika begonnen met zijn klanten voor te lichten hoe de menu van de fast foodketen beter ingeschakeld kan worden in een dieet. Op die manier wil McDonald’s de druk verlichten die op de sector wordt gelegd om mee te helpen de Amerikanen gezondere eetgewoontes aan te leren. Zwaarlijvigheid vormt er immers een belangrijk maatschappelijk probleem.
Nieuwe posters en brochures in de restaurants van New York, New Jersey en gedeelten van Connecticut vertellen de Amerikanen hoe ze de bestaande McDonald’s-menu’s kunnen aanpassen om de consumptie van vet, koolhydraten en calorieën te verminderen. “We proberen onze klanten te leren hoe ze hun geliefkoosde menu’s bij McDonald’s kunnen inpassen in hun dieet,” vertelde marketing directeur Cristina Vilella aan Associated Press.
AP-journaliste Ula Ilnytzky merkt op dat de fast food industrie door consumentengroeperingen en de overheid onder zware druk gezet wordt om meer informatie te verstrekken over de voedingswaarde van zijn producten. “Eerder al hebben McDonald’s en enkele andere ketens brochures met calorieberekeningen ter beschikking gesteld,” aldus Ilnytzky. Jeff Cronin, woordvoerder van het Center for Science in the Public Interest, noemde het nieuwe initiatief van McDonald’s een stap in de goede richting. “Maar indien de keten zijn klanten werkelijk goede informatie wil bezorgen over hun menukeuze, zouden ze op de menuborden naast de prijs ook de calorieberekening moeten aangeven,” vertelde hij aan AP. “Op die manier zouden de klanten daarmee rekening kunnen houden op het ogenblik dat ze hun keuze maken.”
New York is trouwens van plan om dergelijke vermeldingen op menuborden en –kaarten verplicht te maken. Het nieuwe initiatief van McDonald’s werd begeleid door voedingsdeskundige Pam Smith, auteur van ‘Eat Well, Live Well’ en kreeg de naam ‘Real Life Choices’. De dieetversies hebben dezelfde prijs als de gewone porties. “Zelfs wanneer je tegen McDonald’s zegt dat ze de kaas mogen houden,” aldus Ilnitzky.
Klanten merkten op dat McDonald’s dikwijls verbonden wordt met vettig voedsel, maar dat deze nieuwe benadering het publiek de keten in een ander licht zou doen zien. Bij McDonald’s zelf wordt opgemerkt dat het publiek daar niet naar dieetvoeding komt zoeken, maar dat het programma hen wel toelaat een menu te vinden die in dat dieet past, maar toch de smaak heeft waar ze van houden.”
McDonald’s werkt ook aan een volwassen versie van de Happy Meal. In plaats van een hamburger en een speelgoedje, omvat die menu een salade en een fitness-boekje. Ook andere fast food ketens bieden de klant gezonder voedsel aan. De Verenigde Staten zijn de jongste tijd veel gevoeliger aan het worden voor de voedselproblematiek, want men begint er nu echt te beseffen dat zwaarlijvigheid een echt probleem begint te worden. Nochtans werden vorig jaar nog twee rechtszaken tegen McDonald’s – met de beschuldiging dat de keten mensen dik maakte – afgewezen.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
McDonald’s is in Amerika begonnen met zijn klanten voor te lichten hoe de menu van de fast foodketen beter ingeschakeld kan worden in een dieet. Op die manier wil McDonald’s de druk verlichten die op de sector wordt gelegd om mee te helpen de Amerikanen gezondere eetgewoontes aan te leren. Zwaarlijvigheid vormt er immers een belangrijk maatschappelijk probleem.
Nieuwe posters en brochures in de restaurants van New York, New Jersey en gedeelten van Connecticut vertellen de Amerikanen hoe ze de bestaande McDonald’s-menu’s kunnen aanpassen om de consumptie van vet, koolhydraten en calorieën te verminderen. “We proberen onze klanten te leren hoe ze hun geliefkoosde menu’s bij McDonald’s kunnen inpassen in hun dieet,” vertelde marketing directeur Cristina Vilella aan Associated Press.
AP-journaliste Ula Ilnytzky merkt op dat de fast food industrie door consumentengroeperingen en de overheid onder zware druk gezet wordt om meer informatie te verstrekken over de voedingswaarde van zijn producten. “Eerder al hebben McDonald’s en enkele andere ketens brochures met calorieberekeningen ter beschikking gesteld,” aldus Ilnytzky. Jeff Cronin, woordvoerder van het Center for Science in the Public Interest, noemde het nieuwe initiatief van McDonald’s een stap in de goede richting. “Maar indien de keten zijn klanten werkelijk goede informatie wil bezorgen over hun menukeuze, zouden ze op de menuborden naast de prijs ook de calorieberekening moeten aangeven,” vertelde hij aan AP. “Op die manier zouden de klanten daarmee rekening kunnen houden op het ogenblik dat ze hun keuze maken.”
New York is trouwens van plan om dergelijke vermeldingen op menuborden en –kaarten verplicht te maken. Het nieuwe initiatief van McDonald’s werd begeleid door voedingsdeskundige Pam Smith, auteur van ‘Eat Well, Live Well’ en kreeg de naam ‘Real Life Choices’. De dieetversies hebben dezelfde prijs als de gewone porties. “Zelfs wanneer je tegen McDonald’s zegt dat ze de kaas mogen houden,” aldus Ilnitzky.
Klanten merkten op dat McDonald’s dikwijls verbonden wordt met vettig voedsel, maar dat deze nieuwe benadering het publiek de keten in een ander licht zou doen zien. Bij McDonald’s zelf wordt opgemerkt dat het publiek daar niet naar dieetvoeding komt zoeken, maar dat het programma hen wel toelaat een menu te vinden die in dat dieet past, maar toch de smaak heeft waar ze van houden.”
McDonald’s werkt ook aan een volwassen versie van de Happy Meal. In plaats van een hamburger en een speelgoedje, omvat die menu een salade en een fitness-boekje. Ook andere fast food ketens bieden de klant gezonder voedsel aan. De Verenigde Staten zijn de jongste tijd veel gevoeliger aan het worden voor de voedselproblematiek, want men begint er nu echt te beseffen dat zwaarlijvigheid een echt probleem begint te worden. Nochtans werden vorig jaar nog twee rechtszaken tegen McDonald’s – met de beschuldiging dat de keten mensen dik maakte – afgewezen.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Tuesday, January 06, 2004
Technologie moet spam bestrijden
De oorlog in Irak of het ongeval met het ruimteveer mogen dan wel de belangrijkste media-gebeurtenissen van het jaar geweest zijn, op online-gebied waren het vooral de evoluties rond spam die de aandacht trokken. Dat is alvast de mening van de lezers van MediaDailyNews
MediaDailyNews vroeg zijn lezers aan te geven wat voor hen het mediaverhaal van het voorbije jaar was. Uit de antwoorden kwamen vooral de onderwerpen spam, weblogs en pop-ups naar voor. Loren T. McDonald, onderdirecteur marketing bij EmailLabs, stelde dat het niet alleen de reacties van de consumentenbeweging en maatregelen van de overheden het spam-dossier zo belangwekkend maakten. “Het is vooral opmerkelijk dat het publiek wil beslissen wie met hen kan communiceren en waar en hoe men hen kan benaderen. Bovendien wil het ook controle hebben over de informatie die hun correspondenten met anderen mogen delen. Internet providers, e-mail marketeers en verenigingen en organisaties beginnen nu samen te werken om dergelijke technologie op punt te stellen.”
Er werd echter niet alleen over spam gepraat. David Berkowitz van eMarketer had het onder meer over de opkomst van de Amerikaanse presidentskandidaat Howard Dean, wiens populariteit voor een groot deel te danken is aan zijn weblog en zijn fans binnen de blogosfeer. points out several, including the rise of Howard Dean via blogging, “Daardoor werd bewezen dat er een groot politiek publiek online aanwezig is,” merkte hij op. Daarnaast vond Berkowitz het opvallend dat de bekende blogster Elizabeth Spiers in een dergelijke functie aan de slag kon bij The New York Magazine. “Misschien wordt bloggen niet echt een financieel aantrekkelijke activiteit, maar dit bewijst wel dat goede bloggers uiteindelijk wel professioneel ergens aan de bak zullen komen.
James Kiernan, mediadirecteur bij FCBi in New York, vond het vooral opvallend dat de belangrijke internet providers en zoekmachines moeite doen om de pop-up-problematiek aan te pakken door in hun aanbod een service te voorzien die dergelijke advertenties blokkeert. Ook anderen waren van oordeel dat er een echte nieuwe wind door het internet blijkt te waaien. Zo stelde Jack Lyness, onderdirecteur van e-agency.com, dat vooral aandacht moet besteed worden aan de virtuele winkels die de online gewoontes van hun klanten drastisch veranderen, door van het kopen, shoppen, leren en ontspannen op het internet een verfrissende ervaring te maken die al vlug een deel van hun nieuwe manier van leven uitmaakt.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
De oorlog in Irak of het ongeval met het ruimteveer mogen dan wel de belangrijkste media-gebeurtenissen van het jaar geweest zijn, op online-gebied waren het vooral de evoluties rond spam die de aandacht trokken. Dat is alvast de mening van de lezers van MediaDailyNews
MediaDailyNews vroeg zijn lezers aan te geven wat voor hen het mediaverhaal van het voorbije jaar was. Uit de antwoorden kwamen vooral de onderwerpen spam, weblogs en pop-ups naar voor. Loren T. McDonald, onderdirecteur marketing bij EmailLabs, stelde dat het niet alleen de reacties van de consumentenbeweging en maatregelen van de overheden het spam-dossier zo belangwekkend maakten. “Het is vooral opmerkelijk dat het publiek wil beslissen wie met hen kan communiceren en waar en hoe men hen kan benaderen. Bovendien wil het ook controle hebben over de informatie die hun correspondenten met anderen mogen delen. Internet providers, e-mail marketeers en verenigingen en organisaties beginnen nu samen te werken om dergelijke technologie op punt te stellen.”
Er werd echter niet alleen over spam gepraat. David Berkowitz van eMarketer had het onder meer over de opkomst van de Amerikaanse presidentskandidaat Howard Dean, wiens populariteit voor een groot deel te danken is aan zijn weblog en zijn fans binnen de blogosfeer. points out several, including the rise of Howard Dean via blogging, “Daardoor werd bewezen dat er een groot politiek publiek online aanwezig is,” merkte hij op. Daarnaast vond Berkowitz het opvallend dat de bekende blogster Elizabeth Spiers in een dergelijke functie aan de slag kon bij The New York Magazine. “Misschien wordt bloggen niet echt een financieel aantrekkelijke activiteit, maar dit bewijst wel dat goede bloggers uiteindelijk wel professioneel ergens aan de bak zullen komen.
James Kiernan, mediadirecteur bij FCBi in New York, vond het vooral opvallend dat de belangrijke internet providers en zoekmachines moeite doen om de pop-up-problematiek aan te pakken door in hun aanbod een service te voorzien die dergelijke advertenties blokkeert. Ook anderen waren van oordeel dat er een echte nieuwe wind door het internet blijkt te waaien. Zo stelde Jack Lyness, onderdirecteur van e-agency.com, dat vooral aandacht moet besteed worden aan de virtuele winkels die de online gewoontes van hun klanten drastisch veranderen, door van het kopen, shoppen, leren en ontspannen op het internet een verfrissende ervaring te maken die al vlug een deel van hun nieuwe manier van leven uitmaakt.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Trekt public relations weer aan?
De sector van de public relations mag met positieve verwachtingen het nieuwe jaar inkijken. Dat stelt Mark Johnson in het tijdschrift PRWeek. Er wordt hoopvol gesproken over omzet, winstverwachtingen en extra tewerkstelling. Toch blijft de sector aanmanen tot voorzichtigheid, al is het de eerste keer sinds de dotcom-crisis dat er over een vooruitgang wordt gesproken.
Johnson stelt dat de sector ook het voorbije jaar al met een groeiend vertrouwen is geëindigd. Dat blijkt uit de jongste Economische Barometer, uitgevoerd door consulent AG Knowledge. Ook een aanzienlijke groei in de tewerkstelling wordt voorop gesteld. Van de ondervraagde pr-consulenten verwachtte 76 procent dit jaar zijn inkomsten te zien groeien. Gemiddeld werd een groei van 19 procent voorzien.
Johnson benadrukt dat dit een aanzienlijke groei betekent ten opzichte van de 47 procent respondenten die vorig jaar een groei verwachten. Die groei werd toen geraamd op 21 procent. Ook de winstverwachtingen liggen hoger. Meer dan 63 procent van de respondenten verwachten op het einde van het jaar grotere winstmarges te kunnen noteren dan vorig jaar. Vorig jaar was dat volgens PRWeek nog maar 58 procent. Gemiddeld wordt een winst van 26 procent verwacht, tegenover 18 procent tijdens de vorige enquête.
Twee jaar lang ging de tewerkstelling in de sector gevoelig achteruit, maar nu wordt duidelijk een heropleving verwacht. Bijna twee derden van de ondervraagden denkt aan personeelsuitbreiding, met een gemiddelde stijging van 17 procent. Slechts vijf procent meent dat er nog personeel zal moeten afvloeien.
Dat ook het bedrijfsleven in het algemeen een positievere kijk heeft op de nabije toekomst, is voor de public relations uiteraard een positief signaal. “Die algemene hoopvolle houding is goed voor de sector, goed voor de tewerkstelling en op langere termijn ook goed voor het ontwikkelen van nieuw talent,” benadrukte Alastair Gornall, directeur van AG Knowledge. Toch is Gornall niet onverdeeld optimistisch, waarbij hij wijst op het feit dat een aantal ondervraagden nog altijd negatieve vooruitzichten naar voor brengt.
Voorzichtige klanken laat ook Lord Bell, voorzitter van Chime Communications, horen. “Dit jaar zal ongetwijfeld beter worden dan de voorgaande,” benadrukte hij. “Maar ik denk dat de bedrijfsuitgaven nog steeds onder druk zullen staan en de winstmarges zullen beperkt blijven. Bovendien moeten we het consumentengedrag in de gaten houden wanneer de intresten zullen stijgen.”
Gornall voegde er aan toe dat men ook oog moet hebben voor het management van de pr-bureau’s. “Bijna een kwart van de ondervraagde bedrijven verwachtte betrokken te zullen worden in een fusie of een overname,” merkte hij op. “Dat duidt erop dat een aantal mensen op directie-niveau het niet echt meer ziet zitten.”
Reactie: gazettenpraat@yahoo.com
De sector van de public relations mag met positieve verwachtingen het nieuwe jaar inkijken. Dat stelt Mark Johnson in het tijdschrift PRWeek. Er wordt hoopvol gesproken over omzet, winstverwachtingen en extra tewerkstelling. Toch blijft de sector aanmanen tot voorzichtigheid, al is het de eerste keer sinds de dotcom-crisis dat er over een vooruitgang wordt gesproken.
Johnson stelt dat de sector ook het voorbije jaar al met een groeiend vertrouwen is geëindigd. Dat blijkt uit de jongste Economische Barometer, uitgevoerd door consulent AG Knowledge. Ook een aanzienlijke groei in de tewerkstelling wordt voorop gesteld. Van de ondervraagde pr-consulenten verwachtte 76 procent dit jaar zijn inkomsten te zien groeien. Gemiddeld werd een groei van 19 procent voorzien.
Johnson benadrukt dat dit een aanzienlijke groei betekent ten opzichte van de 47 procent respondenten die vorig jaar een groei verwachten. Die groei werd toen geraamd op 21 procent. Ook de winstverwachtingen liggen hoger. Meer dan 63 procent van de respondenten verwachten op het einde van het jaar grotere winstmarges te kunnen noteren dan vorig jaar. Vorig jaar was dat volgens PRWeek nog maar 58 procent. Gemiddeld wordt een winst van 26 procent verwacht, tegenover 18 procent tijdens de vorige enquête.
Twee jaar lang ging de tewerkstelling in de sector gevoelig achteruit, maar nu wordt duidelijk een heropleving verwacht. Bijna twee derden van de ondervraagden denkt aan personeelsuitbreiding, met een gemiddelde stijging van 17 procent. Slechts vijf procent meent dat er nog personeel zal moeten afvloeien.
Dat ook het bedrijfsleven in het algemeen een positievere kijk heeft op de nabije toekomst, is voor de public relations uiteraard een positief signaal. “Die algemene hoopvolle houding is goed voor de sector, goed voor de tewerkstelling en op langere termijn ook goed voor het ontwikkelen van nieuw talent,” benadrukte Alastair Gornall, directeur van AG Knowledge. Toch is Gornall niet onverdeeld optimistisch, waarbij hij wijst op het feit dat een aantal ondervraagden nog altijd negatieve vooruitzichten naar voor brengt.
Voorzichtige klanken laat ook Lord Bell, voorzitter van Chime Communications, horen. “Dit jaar zal ongetwijfeld beter worden dan de voorgaande,” benadrukte hij. “Maar ik denk dat de bedrijfsuitgaven nog steeds onder druk zullen staan en de winstmarges zullen beperkt blijven. Bovendien moeten we het consumentengedrag in de gaten houden wanneer de intresten zullen stijgen.”
Gornall voegde er aan toe dat men ook oog moet hebben voor het management van de pr-bureau’s. “Bijna een kwart van de ondervraagde bedrijven verwachtte betrokken te zullen worden in een fusie of een overname,” merkte hij op. “Dat duidt erop dat een aantal mensen op directie-niveau het niet echt meer ziet zitten.”
Reactie: gazettenpraat@yahoo.com
General Motors geeft duizend auto’s weg
De Amerikaanse autofabrikant General Motors start maandag een gigantische cadeaucampagne. Tijdens de International Auto Show in Detroit maakte het concern bekend de volgende twee maanden duizend auto’s weg te schenken. De campagne heeft volgens het persagentschap AFP een waarde van 25 miljoen dollar en zou in zijn soort de grootste zijn uit de geschiedenis.
Om een kans te maken op een auto – in het pakket zitten de populairste GM-modellen zoals de Hummer H2 en de Cadillac CTS – hoeft het Amerikaanse publiek alleen maar binnen te stappen bij een dealer die auto’s verkoopt die uitgerust zijn met het GM OnStar Communications-systeem, dat onder meer een pechhulp en een global positioning systeem omvat. Daar kan de klant een programma activeren dat hem onmiddellijk duidelijk maakt of hij de eigenaar is geworden van een splinternieuwe auto. Volgens General Motors heeft iedereen één kans op 5.500 om tot de gelukkigen te horen.
De campagne – die 56 dagen loopt en die alle acht Amerikaanse merken van het concern omvat – kreeg de naam ‘Hot Button’ en past in een vrije agressieve verkoopscampagne die General Motors al enkele jaren volgt. Eerder al waren er goedkope auto-financieringen, waarmee GM in 2001 startte en die al vlug door de andere autofabrikanten werd gevolgd. General Motors stelt dat het concern op deze manier in een traditioneel kalme periode van het jaar extra publiek wil aantrekken.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
De Amerikaanse autofabrikant General Motors start maandag een gigantische cadeaucampagne. Tijdens de International Auto Show in Detroit maakte het concern bekend de volgende twee maanden duizend auto’s weg te schenken. De campagne heeft volgens het persagentschap AFP een waarde van 25 miljoen dollar en zou in zijn soort de grootste zijn uit de geschiedenis.
Om een kans te maken op een auto – in het pakket zitten de populairste GM-modellen zoals de Hummer H2 en de Cadillac CTS – hoeft het Amerikaanse publiek alleen maar binnen te stappen bij een dealer die auto’s verkoopt die uitgerust zijn met het GM OnStar Communications-systeem, dat onder meer een pechhulp en een global positioning systeem omvat. Daar kan de klant een programma activeren dat hem onmiddellijk duidelijk maakt of hij de eigenaar is geworden van een splinternieuwe auto. Volgens General Motors heeft iedereen één kans op 5.500 om tot de gelukkigen te horen.
De campagne – die 56 dagen loopt en die alle acht Amerikaanse merken van het concern omvat – kreeg de naam ‘Hot Button’ en past in een vrije agressieve verkoopscampagne die General Motors al enkele jaren volgt. Eerder al waren er goedkope auto-financieringen, waarmee GM in 2001 startte en die al vlug door de andere autofabrikanten werd gevolgd. General Motors stelt dat het concern op deze manier in een traditioneel kalme periode van het jaar extra publiek wil aantrekken.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Monday, January 05, 2004
Test-Aankoop tegen beveiligde muziek-cd’s
Test-Aankoop heeft de platenmaatschappijen EMI, Sony, BMG Music en Universal Music voor de rechter gedaagd. Die hebben immers muziek-cd’s op de markt gebracht met met een beveiliging tegen het kopiëren. “De beveiligingstechnieken kaderen in de strijd tegen piraterij,” merkt Test-Aankoop op. “Het probleem is echter dat die beveiliging niet alleen verhindert een perfect legale kopie voor persoonlijk gebruik te maken, maar er soms ook voor zorgt dat het lezen van de cd op sommige toestellen onmogelijk wordt.”
Test-Aankoop benadrukt dat de eerlijke consument daardoor het slachtoffer wordt van een maatregel die uiteindelijk zijn doel mist en in strijd is met de wetgeving op de auteursrechten. “Daarom eisen wij de stopzetting van deze praktijken,” aldus de vereniging. Er wordt daarbij benadrukt dat sinds enkele maanden klachten zich opstapelen over zogenaamde beveiligde cd's. “Sommige cd's kunnen gewoonweg niet gelezen worden door bepaalde toestellen of het is onmogelijk om een kopie voor eigen gebruik te maken. Test-Aankoop heeft daaromtrent enkele honderden getuigenissen verzameld,” aldus de persmededeling van de vereniging. “Enkele voorbeelden van cd's die problemen opleveren: "My tribute to the King" van Helmut Lotty (EMI); "Laundry Service" van Shakira (Sony); "1 Giant Leap" van Faithless (BMG) en "Greatest Hits" van Björk (Universal).”
De vereniging wijst erop dat in een editoriaal van Test-Aankoop in februari 2003 al benadrukt werd dat de beveiliging van audio-cd's niet de juiste aanpak is in de strijd tegen grootschalige piraterij en voorbijgaat aan de meest essentiële gebruiksrechten van consumenten. “Test-Aankoop vroeg destijds al een verbod van dergelijke beveiligingstechnieken en drong aan op een tussenkomst van de minister van Economie,” merkt de vereniging op. “Test-Aankoop nam eveneens contact op met vertegenwoordigers van de muzieksector, maar ook zij boden geen oplossing of deden loze beloftes.”
Testaankoop benadrukt dat ook de platenmaatschappijen niet boven de wet staan. “De technische ingrepen die platenfirma's gebruiken in de strijd tegen de piraterij zijn illegaal,” wordt er nogmaals gesteld. “Zij verhinderen dat een consument van zijn originele cd's een persoonlijke kopie maakt, ondanks het feit dat hij daarvoor de rechten betaalde en verkreeg. Dit recht op een persoonlijke kopie wordt immers uitdrukkelijk bepaald door de wet op de auteursrechten. De auteur kan reproducties van muziekstukken voor gebruik in familieverband niet verbieden. Als tegenprestatie voor het toestaan van dat recht op een persoonlijke kopie, heeft de wetgever voorzien in een stelsel van specifieke vergoedingen voor de auteurs. Zowel op de verkoop van toestellen die reproductie mogelijk maken, als op de verkoop van blanco cd's worden daartoe bijdragen geheven. De wetgeving is duidelijk en vermeldingen als copy-controlled of andere, kunnen hieraan geen afbreuk doen. Test-Aankoop vraagt daarom een tussenkomst van de rechter, vermits de rechtsregels door de platenfirma's overtreden worden.”
In november van vorig jaar stelde Test-Aankoop de vier grote platenmaatschappijen in dat verband al in gebreke. “Wij vragen niet meer dan het stopzetten van de beperkende technische ingrepen,” aldus de vereniging. “Deze maatschappijen moeten de piraterij op grote schaal aanpakken in plaats van de consument die te goeder trouw zijn cd koopt. Test-Aankoop eist op die manier dat de grote platenfirma's hun houding herzien want een cd kopiëren voor privé-gebruik is geen misdrijf. Test-Aankoop stelt tenslotte de vrijwaring van het recht op een privé-kopie voorop in het vooruitzicht van de komende omzetting van de Europese Richtlijn van 22 mei 2001 tot harmonisering van bepaalde aspecten van het auteursrecht in de informatiesamenleving.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Test-Aankoop heeft de platenmaatschappijen EMI, Sony, BMG Music en Universal Music voor de rechter gedaagd. Die hebben immers muziek-cd’s op de markt gebracht met met een beveiliging tegen het kopiëren. “De beveiligingstechnieken kaderen in de strijd tegen piraterij,” merkt Test-Aankoop op. “Het probleem is echter dat die beveiliging niet alleen verhindert een perfect legale kopie voor persoonlijk gebruik te maken, maar er soms ook voor zorgt dat het lezen van de cd op sommige toestellen onmogelijk wordt.”
Test-Aankoop benadrukt dat de eerlijke consument daardoor het slachtoffer wordt van een maatregel die uiteindelijk zijn doel mist en in strijd is met de wetgeving op de auteursrechten. “Daarom eisen wij de stopzetting van deze praktijken,” aldus de vereniging. Er wordt daarbij benadrukt dat sinds enkele maanden klachten zich opstapelen over zogenaamde beveiligde cd's. “Sommige cd's kunnen gewoonweg niet gelezen worden door bepaalde toestellen of het is onmogelijk om een kopie voor eigen gebruik te maken. Test-Aankoop heeft daaromtrent enkele honderden getuigenissen verzameld,” aldus de persmededeling van de vereniging. “Enkele voorbeelden van cd's die problemen opleveren: "My tribute to the King" van Helmut Lotty (EMI); "Laundry Service" van Shakira (Sony); "1 Giant Leap" van Faithless (BMG) en "Greatest Hits" van Björk (Universal).”
De vereniging wijst erop dat in een editoriaal van Test-Aankoop in februari 2003 al benadrukt werd dat de beveiliging van audio-cd's niet de juiste aanpak is in de strijd tegen grootschalige piraterij en voorbijgaat aan de meest essentiële gebruiksrechten van consumenten. “Test-Aankoop vroeg destijds al een verbod van dergelijke beveiligingstechnieken en drong aan op een tussenkomst van de minister van Economie,” merkt de vereniging op. “Test-Aankoop nam eveneens contact op met vertegenwoordigers van de muzieksector, maar ook zij boden geen oplossing of deden loze beloftes.”
Testaankoop benadrukt dat ook de platenmaatschappijen niet boven de wet staan. “De technische ingrepen die platenfirma's gebruiken in de strijd tegen de piraterij zijn illegaal,” wordt er nogmaals gesteld. “Zij verhinderen dat een consument van zijn originele cd's een persoonlijke kopie maakt, ondanks het feit dat hij daarvoor de rechten betaalde en verkreeg. Dit recht op een persoonlijke kopie wordt immers uitdrukkelijk bepaald door de wet op de auteursrechten. De auteur kan reproducties van muziekstukken voor gebruik in familieverband niet verbieden. Als tegenprestatie voor het toestaan van dat recht op een persoonlijke kopie, heeft de wetgever voorzien in een stelsel van specifieke vergoedingen voor de auteurs. Zowel op de verkoop van toestellen die reproductie mogelijk maken, als op de verkoop van blanco cd's worden daartoe bijdragen geheven. De wetgeving is duidelijk en vermeldingen als copy-controlled of andere, kunnen hieraan geen afbreuk doen. Test-Aankoop vraagt daarom een tussenkomst van de rechter, vermits de rechtsregels door de platenfirma's overtreden worden.”
In november van vorig jaar stelde Test-Aankoop de vier grote platenmaatschappijen in dat verband al in gebreke. “Wij vragen niet meer dan het stopzetten van de beperkende technische ingrepen,” aldus de vereniging. “Deze maatschappijen moeten de piraterij op grote schaal aanpakken in plaats van de consument die te goeder trouw zijn cd koopt. Test-Aankoop eist op die manier dat de grote platenfirma's hun houding herzien want een cd kopiëren voor privé-gebruik is geen misdrijf. Test-Aankoop stelt tenslotte de vrijwaring van het recht op een privé-kopie voorop in het vooruitzicht van de komende omzetting van de Europese Richtlijn van 22 mei 2001 tot harmonisering van bepaalde aspecten van het auteursrecht in de informatiesamenleving.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Amerikaanse BSE-crisis vraagt pr-actie
Wanneer er een crisis is, moet daarover gecommuniceerd worden. Dat merkt Jonathan Bernstein, directeur van het Amerikaanse Bernstein Crisis Management, op ter gelegenheid van het opduiken van gekke koeienziekte in Amerika. Bernstein vertelde USA Today dat bedrijven daardoor op de consument de indruk wekken dat het hen allemaal niet kan schelen.
De Amerikaanse voedingsindustrie reageert vrij lauw op het BSE-incident en Bruce Horovitz stelt in USA Today dat de sector geen zware acties onderneemt opdat de verkoop van rundsvlees constant blijft. “Grote ketens zoals McDonald’s en Outback Steakhouse en de National Cattlemen’s Beef Association hebben duidelijk gemaakt dat ze veiligheidsprocedures hebben ingebouwd,” geeft Horovitz toe. “Bovendien besloot het ministerie van landbouw vlees van runderen die niet konden stappen, te verbieden. Er zou ook een nationaal opsporings-programma worden opgestart.”
Horovitz voegt er echter aan toe dat dit geen oplossing is voor het pr-probleem rond vlees dat al in de voedselketen terecht is gekomen. “Experten benadrukken dat de sector de bezorgdheid van de consument op een agressieve manier zou moeten benaderen met een verbeterede interne communicatie en informatie voor de consument.”
Bernstein geeft de bedrijven daarbij enkele raadgevingen. “Men moet vermijden om het vakjargon te gebruiken, want dat zegt de consument niet veel,” merkt hij op. “Er moet een simpel en duidelijk taalgebruik gehanteerd worden.” Hij stelt echter ook dat er meer informatie moet aangeboden worden en dat die informatie ook voortdurend geupdated moet worden. “Websites zouden dagelijks en zelfs elk uur moeten aangepast worden met nieuwe informatie over de BSE-crisis,” voegde hij daar aan toe.
Andere pr-specialisten stellen dat de strategie van de campagnes per regio aangepast moeten worden. “Gebieden waar de onrust over de crisis het grootste is, hebben intenser pr-werk nodig,” stelde Lynne Doll, directeur van Rogers & Associates. Hij voegde er aan toe dat de boodschap ook duidelijk moet overkomen. “Wanneer de consument in een restaurant vraagt of het vlees veilig is, moet het personeel daar duidelijk en onmiddellijk bevestigend op antwoorden.”
Ian Mitroff, professor crisis management aan de Universiteit van Zuid-California, merkte op dat de grote ketens onafhankelijke experten zouden moeten inhuren om de veiligheid van het vlees te onderzoeken. “Dat zou een extra bewijs van betrouwbaarheid kunnen zijn,” stelde hij. “Bovendien moet ook de algemeen directeur zelf naar buiten komen met de boodschap dat het bedrijf dit probleem op een heel doorzichtige manier benadert.”
Horovitz merkt tenslotte op dat ook in deze campagnes enige creativiteit op zijn plaats kan zijn. “Het webadres www.beef.com was te koop,” merkt hij op. “Het werd echter opgekocht door de organisatie People for the Ethical Treatment of Animals. Die wil daar vegetarisch nieuws op brengen.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Wanneer er een crisis is, moet daarover gecommuniceerd worden. Dat merkt Jonathan Bernstein, directeur van het Amerikaanse Bernstein Crisis Management, op ter gelegenheid van het opduiken van gekke koeienziekte in Amerika. Bernstein vertelde USA Today dat bedrijven daardoor op de consument de indruk wekken dat het hen allemaal niet kan schelen.
De Amerikaanse voedingsindustrie reageert vrij lauw op het BSE-incident en Bruce Horovitz stelt in USA Today dat de sector geen zware acties onderneemt opdat de verkoop van rundsvlees constant blijft. “Grote ketens zoals McDonald’s en Outback Steakhouse en de National Cattlemen’s Beef Association hebben duidelijk gemaakt dat ze veiligheidsprocedures hebben ingebouwd,” geeft Horovitz toe. “Bovendien besloot het ministerie van landbouw vlees van runderen die niet konden stappen, te verbieden. Er zou ook een nationaal opsporings-programma worden opgestart.”
Horovitz voegt er echter aan toe dat dit geen oplossing is voor het pr-probleem rond vlees dat al in de voedselketen terecht is gekomen. “Experten benadrukken dat de sector de bezorgdheid van de consument op een agressieve manier zou moeten benaderen met een verbeterede interne communicatie en informatie voor de consument.”
Bernstein geeft de bedrijven daarbij enkele raadgevingen. “Men moet vermijden om het vakjargon te gebruiken, want dat zegt de consument niet veel,” merkt hij op. “Er moet een simpel en duidelijk taalgebruik gehanteerd worden.” Hij stelt echter ook dat er meer informatie moet aangeboden worden en dat die informatie ook voortdurend geupdated moet worden. “Websites zouden dagelijks en zelfs elk uur moeten aangepast worden met nieuwe informatie over de BSE-crisis,” voegde hij daar aan toe.
Andere pr-specialisten stellen dat de strategie van de campagnes per regio aangepast moeten worden. “Gebieden waar de onrust over de crisis het grootste is, hebben intenser pr-werk nodig,” stelde Lynne Doll, directeur van Rogers & Associates. Hij voegde er aan toe dat de boodschap ook duidelijk moet overkomen. “Wanneer de consument in een restaurant vraagt of het vlees veilig is, moet het personeel daar duidelijk en onmiddellijk bevestigend op antwoorden.”
Ian Mitroff, professor crisis management aan de Universiteit van Zuid-California, merkte op dat de grote ketens onafhankelijke experten zouden moeten inhuren om de veiligheid van het vlees te onderzoeken. “Dat zou een extra bewijs van betrouwbaarheid kunnen zijn,” stelde hij. “Bovendien moet ook de algemeen directeur zelf naar buiten komen met de boodschap dat het bedrijf dit probleem op een heel doorzichtige manier benadert.”
Horovitz merkt tenslotte op dat ook in deze campagnes enige creativiteit op zijn plaats kan zijn. “Het webadres www.beef.com was te koop,” merkt hij op. “Het werd echter opgekocht door de organisatie People for the Ethical Treatment of Animals. Die wil daar vegetarisch nieuws op brengen.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Frans departement aast op Parijzenaars
Leven in de stad of op het platteland? Beiden hebben voordelen en nadelen en hun supporters en tegenstanders. In Frankrijk ontvluchten echter heel wat Parijzenaars hun stad om elders in rustiger omgevingen te werken en te leven. Het Zuid-Franse departement Lot-et-Garonne wil van die trend gebruik maken om de Parijzenaars naar zijn gebieden te lokken.
Het departement lanceerde zelfs een reclamecampagne in de kranten, televisie en radio, waarbij de Parijzenaars de verwittiging krijgen dat ze ‘twee weken tijd hebben om de hoofdstad te verlaten’. “Wie de verontreiniging, files en plaatsgebrek beu is, is bijzonder welkom in Lot-et-Garonne,” wordt er gesteld.
Vertegenwoordigers van het departement zetten in het centrum van Parijs een bureau op, waar ze Parijzenaars raad gaven hoe ze hun eigen zaak op het platteland zouden kunnen beginnen. “De telefoon rinkelde onophoudelijk en de mensen stonden in een rij aan te schuiven voor de deur,” vertelde afgevaardigde Jean-Marc Fillieule aan Reuters. “Vierduizend Parijzenaars vroegen om bijkomende informatie.” Fillieulle voegde er aan toe dat in Lot-et-Garonne de volgende vier tot vijf jaar tweeduizend ondernemers met pensioen zullen gaan. “We brengen deze bedrijven in contact met Parijzenaars die een nieuwe start willen maken op het platteland,” merkte hij op.
Reuters-journalist Kerstin Gehmlich stelt dat jaarlijks 160.000 mensen de Parijse agglomeratie verlaten. “Demografie-specialisten menen dat Frankrijk een groot deel van zijn bevolking wel eens zuidwaarts zou kunnen zien trekken,” aldus Gehmlich. “Uit onderzoek is gebleken dat nagenoeg één derde van alle Fransen een eigen onderneming wil starten en dat zestig procent van de Parijzenaars ervan droomt zich op het platteland te vestigen, waarbij het zuidwesten hun favoriete bestemming is.”
Eve Brecier, een 47-jarige gewezen manager van een Parijs’ bedrijf heeft al zes jaar een restaurant in een dorpje uit de Lot-et-Garonne. “Ik was Parijs, met zijn uitlaatgassen, de hoge prijzen en het lawaai, compleet beu,” vertelde ze aan Reuters. “Nu ben ik in een mum van tijd aan de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee of de Pyreneeën.”
Specialisten voorspellen dat de stadsvlucht de volgende jaren in Parijs nog groter zal worden, wanneer gepensioneerden een rustig leven willen gaan leiden of jonge mensen genoeg hebben van de stress. “De jonge generatie is veel mobieler geworden,” aldus het onderzoeksbureau BIPE. “Tijdens de jaren negentig lag het aantal vertrekkers 570.000 eenheden hoger dan het aantal inwijkelingen. Dit decennium zou dan aantal wel eens het miljoen kunnen benaderen.”
Eerste minister Jean-Pierre Raffarin steunt de inspanningen van het platteland, maar in Parijs zelf is men er minder gelukkig mee. “De regio’s moeten elkaar niet bestrijden,” merkte Jean-Paul Huchon, directeur van de regio Ile-de-France, op. “De marketing campagne van Lot-et-Garonne is beteurenswaardig en onelegant.” Maar die klachten worden door Lot-et-Garonne weggelachen met de opmerking dat Parijs nog altijd de bovenhand houdt. “Twintig procent van de Fransen leeft in en rond de hoofdstad en ook de meeste grote bedrijven zijn er gevestigd,” aldus Gehmlich. “De regio vertegenwoordigt dertig procent van de Franse economie.”
Reuters merkt op dat het leven op het platteland echter niet voor iedereen is weggelegd. “Sommigen beklagen zich al vlug hun beslissing en beweren dat ze door de lokale bevolking als arrogante Parijzenaars worden beschouwd,” schrijft Gehmlich. “De plaatselijke bewoners zijn soms kwaad op Parijzenaars en buitenlanders omdat die de prijzen van de huizen opdrijven. Sommige Parijzenaars klagen erover dat ze geen vrienden maakten en een aantal keerde dan ook al vlug terug. Anderen vrezen dat ze de theaters, café’s en restaurants zullen missen en dat ze niet gewoon zullen raken aan het plattelandsleven. Ze hebben schrik dat ze in een verlaten boerengat terecht zullen komen.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Leven in de stad of op het platteland? Beiden hebben voordelen en nadelen en hun supporters en tegenstanders. In Frankrijk ontvluchten echter heel wat Parijzenaars hun stad om elders in rustiger omgevingen te werken en te leven. Het Zuid-Franse departement Lot-et-Garonne wil van die trend gebruik maken om de Parijzenaars naar zijn gebieden te lokken.
Het departement lanceerde zelfs een reclamecampagne in de kranten, televisie en radio, waarbij de Parijzenaars de verwittiging krijgen dat ze ‘twee weken tijd hebben om de hoofdstad te verlaten’. “Wie de verontreiniging, files en plaatsgebrek beu is, is bijzonder welkom in Lot-et-Garonne,” wordt er gesteld.
Vertegenwoordigers van het departement zetten in het centrum van Parijs een bureau op, waar ze Parijzenaars raad gaven hoe ze hun eigen zaak op het platteland zouden kunnen beginnen. “De telefoon rinkelde onophoudelijk en de mensen stonden in een rij aan te schuiven voor de deur,” vertelde afgevaardigde Jean-Marc Fillieule aan Reuters. “Vierduizend Parijzenaars vroegen om bijkomende informatie.” Fillieulle voegde er aan toe dat in Lot-et-Garonne de volgende vier tot vijf jaar tweeduizend ondernemers met pensioen zullen gaan. “We brengen deze bedrijven in contact met Parijzenaars die een nieuwe start willen maken op het platteland,” merkte hij op.
Reuters-journalist Kerstin Gehmlich stelt dat jaarlijks 160.000 mensen de Parijse agglomeratie verlaten. “Demografie-specialisten menen dat Frankrijk een groot deel van zijn bevolking wel eens zuidwaarts zou kunnen zien trekken,” aldus Gehmlich. “Uit onderzoek is gebleken dat nagenoeg één derde van alle Fransen een eigen onderneming wil starten en dat zestig procent van de Parijzenaars ervan droomt zich op het platteland te vestigen, waarbij het zuidwesten hun favoriete bestemming is.”
Eve Brecier, een 47-jarige gewezen manager van een Parijs’ bedrijf heeft al zes jaar een restaurant in een dorpje uit de Lot-et-Garonne. “Ik was Parijs, met zijn uitlaatgassen, de hoge prijzen en het lawaai, compleet beu,” vertelde ze aan Reuters. “Nu ben ik in een mum van tijd aan de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee of de Pyreneeën.”
Specialisten voorspellen dat de stadsvlucht de volgende jaren in Parijs nog groter zal worden, wanneer gepensioneerden een rustig leven willen gaan leiden of jonge mensen genoeg hebben van de stress. “De jonge generatie is veel mobieler geworden,” aldus het onderzoeksbureau BIPE. “Tijdens de jaren negentig lag het aantal vertrekkers 570.000 eenheden hoger dan het aantal inwijkelingen. Dit decennium zou dan aantal wel eens het miljoen kunnen benaderen.”
Eerste minister Jean-Pierre Raffarin steunt de inspanningen van het platteland, maar in Parijs zelf is men er minder gelukkig mee. “De regio’s moeten elkaar niet bestrijden,” merkte Jean-Paul Huchon, directeur van de regio Ile-de-France, op. “De marketing campagne van Lot-et-Garonne is beteurenswaardig en onelegant.” Maar die klachten worden door Lot-et-Garonne weggelachen met de opmerking dat Parijs nog altijd de bovenhand houdt. “Twintig procent van de Fransen leeft in en rond de hoofdstad en ook de meeste grote bedrijven zijn er gevestigd,” aldus Gehmlich. “De regio vertegenwoordigt dertig procent van de Franse economie.”
Reuters merkt op dat het leven op het platteland echter niet voor iedereen is weggelegd. “Sommigen beklagen zich al vlug hun beslissing en beweren dat ze door de lokale bevolking als arrogante Parijzenaars worden beschouwd,” schrijft Gehmlich. “De plaatselijke bewoners zijn soms kwaad op Parijzenaars en buitenlanders omdat die de prijzen van de huizen opdrijven. Sommige Parijzenaars klagen erover dat ze geen vrienden maakten en een aantal keerde dan ook al vlug terug. Anderen vrezen dat ze de theaters, café’s en restaurants zullen missen en dat ze niet gewoon zullen raken aan het plattelandsleven. Ze hebben schrik dat ze in een verlaten boerengat terecht zullen komen.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Sunday, January 04, 2004
Eindelijk een markt voor micro-betalingen?
Micro-betalingen op het internet zijn omwille van de transfertkosten nooit rendabel geweest, maar een aantal Amerikaanse bedrijven zijn van mening daar oplossingen voor gevonden te hebben. Brian Bergstein schrijft in Associated Press dat zelfs kredietkaar-gigant Visa wil experimenteren met micro-betalingen.
Een aantal insiders is van mening dat mechanismen die dergelijke kleine betalingen online mogelijk zouden maken van het internet een veel grotere inkomstenbron zouden kunnen maken. Op die manier zouden auteurs van populaire concent een online inkomen kunnen opbouwen. Op dit ogenblik zorgen de transfertkosten echter dan betalingen van minder dan één euro nutteloos zijn.
Wanneer onafhankelijke content providers een efficiënte manier zouden kunnen vinden om dat geld te innen, zou het internet volgens Bergstein niet langer gedomineerd worden door de mediagiganten en de grote marken. Het e-commerce bedrijf BitPass uit Palo Alto (Verenigde Staten) heeft een betalings-service uitgebouwd voor een honderdtal websites. “Wij willen daarmee zorgen voor een grotere diversiteit,” merkt Kurt Huang, mede-oprichter van BitPass, op.
Gelijkaardige initiatieven in de jaren negentig mislukten echter allemaal omdat ze met omslachtige procedures werkten en niet voldoende steun genoten van de overheid en de financiële industrie. Bovendien gaf het publiek nog altijd de voorkeur aan de vertrouwde betalingsmiddelen, zoals de kredietkaarten. Ron Riverst, onderzoeker van het Massachusetts Institute of Technology en oprichter van de micro-payment provider Peppercoin, merkt op dat de markt er nu wel klaar voor lijkt te zijn.
Bergstein wijst ook naar de breedband-verbindingen, die de consument vandaag toelaten om zwaardere digitale content te kopen. “De enorme populariteit van online muziekservices zoals iTunes van Apple zijn daarvan een duidelijk bewijs,” stelt hij. Aanbieders van micro-payment diensten stellen dat de concurrentie de prijzen nog zal doen dalen en dat individuele artisten zullen proberen hun werk op hun eigen websites te verkopen. Op dat ogenblik opent volgens Bergstein ook voor die aanbieders een bijzonder grote markt.
Steve Elefant, directeur van het Californische Yaga is van oordeel dat de evoluties in de muziekindustrie slechts het topje van de ijsberg zijn. Bergstein voegt er aan toe dat ook Visa overweegt om met micro-payments te beginnen werken. “Het is op dit ogenblik nog een bijzonder kleine markt, maar we houden die bijzonder goed in de gaten,” aldus woordvoerdster Randa Ghnaim.
Bij micro-payments worden verschillende technieken gebruikt. “Zo laat Payment-One (San Jose) zijn consumenten toe verscheidene kleine aankopen online te doen en te betalen via hun lokale telefoonrekening,” merkt Bergstein op. “In Azië is er een software op de markt waarbij gsm-toestellen omgevormd kunnen worden tot virtuele portefeuilles. BitPass en Peppercoin moedigen surfers aan rekening met een bedrag van amper drie dollar te openen, die met een VISA-kaart betaald wordt. Micro-betalingen worden van die rekening afgetrokken, zonder dat elke keer de kredietkaart-gegevens moeten ingevoerd worden.
Bergstein stelt dat betalingsdiensten zoals PayPal op dit ogenblik een commissieloon van 2,9 procent plus dertig dollarcent aanrekenen. Een verkoop ter waarde van twintig dollarcent is dan ook nutteloos. “De nieuwe systemen zouden vijftien procent commissie aanrekenen,” benadrukt hij. “Dat laat een nettobedrag van 17 cent over. Bovendien is er ook de mogelijkheid dat de inkomsten voor de verkoop van diverse aankopen in één keer uitbetaald worden. Dat maakt het allemaal veel minder gecompliceerd.”
Bergstein merkt echter op dat het publiek nog altijd moet overtuigd worden dat er op het internet bijzonder veel goede content beschikbaar is voor wat muntgeld en dat het de moeite waard is om daarvoor een kleine online rekening te openen. “Sommige critici merken echter op dat dit echter nooit zal lukken,” voegt hij er aan toe. “Volgens hen zorgt de fundamentele economische psychologie ervoor dat weinig mensen bereid zullen zijn tijd te besteden met te beslissen of ze die kleine dingen afzonderlijk zullen kopen. Ze benadrukken dat juist daarom websites met een grote hoeveelheid content bij het publiek een groot succes hebben.”
Zo lijkt PayPal niet van plan te zijn om over te stappen op micro-payments. “Met 35 miljoen gebruikers zou het bedrijf nochtans in die sector een gigant kunnen zijn, op voorwaarde dat het zijn commissie-systeem zou veranderen,” aldus Bergstein. “Maar het bedrijf is van oordeel dat niemand hiermee veel geld zal verdienen.”
Bij RedPaper.com – waar 26.000 gebruikers proza, poëzie en artikels kopen en verkopen – wordt een andere kritiek naar voor geschoven. “De technologie achter micro-payments is zo simpel dat niemand bereid zal zijn om bedrijven als BitPass een commissie te betalen, wanneer ze die technologie zelf kunnen bouwen,” luidt het daar.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Micro-betalingen op het internet zijn omwille van de transfertkosten nooit rendabel geweest, maar een aantal Amerikaanse bedrijven zijn van mening daar oplossingen voor gevonden te hebben. Brian Bergstein schrijft in Associated Press dat zelfs kredietkaar-gigant Visa wil experimenteren met micro-betalingen.
Een aantal insiders is van mening dat mechanismen die dergelijke kleine betalingen online mogelijk zouden maken van het internet een veel grotere inkomstenbron zouden kunnen maken. Op die manier zouden auteurs van populaire concent een online inkomen kunnen opbouwen. Op dit ogenblik zorgen de transfertkosten echter dan betalingen van minder dan één euro nutteloos zijn.
Wanneer onafhankelijke content providers een efficiënte manier zouden kunnen vinden om dat geld te innen, zou het internet volgens Bergstein niet langer gedomineerd worden door de mediagiganten en de grote marken. Het e-commerce bedrijf BitPass uit Palo Alto (Verenigde Staten) heeft een betalings-service uitgebouwd voor een honderdtal websites. “Wij willen daarmee zorgen voor een grotere diversiteit,” merkt Kurt Huang, mede-oprichter van BitPass, op.
Gelijkaardige initiatieven in de jaren negentig mislukten echter allemaal omdat ze met omslachtige procedures werkten en niet voldoende steun genoten van de overheid en de financiële industrie. Bovendien gaf het publiek nog altijd de voorkeur aan de vertrouwde betalingsmiddelen, zoals de kredietkaarten. Ron Riverst, onderzoeker van het Massachusetts Institute of Technology en oprichter van de micro-payment provider Peppercoin, merkt op dat de markt er nu wel klaar voor lijkt te zijn.
Bergstein wijst ook naar de breedband-verbindingen, die de consument vandaag toelaten om zwaardere digitale content te kopen. “De enorme populariteit van online muziekservices zoals iTunes van Apple zijn daarvan een duidelijk bewijs,” stelt hij. Aanbieders van micro-payment diensten stellen dat de concurrentie de prijzen nog zal doen dalen en dat individuele artisten zullen proberen hun werk op hun eigen websites te verkopen. Op dat ogenblik opent volgens Bergstein ook voor die aanbieders een bijzonder grote markt.
Steve Elefant, directeur van het Californische Yaga is van oordeel dat de evoluties in de muziekindustrie slechts het topje van de ijsberg zijn. Bergstein voegt er aan toe dat ook Visa overweegt om met micro-payments te beginnen werken. “Het is op dit ogenblik nog een bijzonder kleine markt, maar we houden die bijzonder goed in de gaten,” aldus woordvoerdster Randa Ghnaim.
Bij micro-payments worden verschillende technieken gebruikt. “Zo laat Payment-One (San Jose) zijn consumenten toe verscheidene kleine aankopen online te doen en te betalen via hun lokale telefoonrekening,” merkt Bergstein op. “In Azië is er een software op de markt waarbij gsm-toestellen omgevormd kunnen worden tot virtuele portefeuilles. BitPass en Peppercoin moedigen surfers aan rekening met een bedrag van amper drie dollar te openen, die met een VISA-kaart betaald wordt. Micro-betalingen worden van die rekening afgetrokken, zonder dat elke keer de kredietkaart-gegevens moeten ingevoerd worden.
Bergstein stelt dat betalingsdiensten zoals PayPal op dit ogenblik een commissieloon van 2,9 procent plus dertig dollarcent aanrekenen. Een verkoop ter waarde van twintig dollarcent is dan ook nutteloos. “De nieuwe systemen zouden vijftien procent commissie aanrekenen,” benadrukt hij. “Dat laat een nettobedrag van 17 cent over. Bovendien is er ook de mogelijkheid dat de inkomsten voor de verkoop van diverse aankopen in één keer uitbetaald worden. Dat maakt het allemaal veel minder gecompliceerd.”
Bergstein merkt echter op dat het publiek nog altijd moet overtuigd worden dat er op het internet bijzonder veel goede content beschikbaar is voor wat muntgeld en dat het de moeite waard is om daarvoor een kleine online rekening te openen. “Sommige critici merken echter op dat dit echter nooit zal lukken,” voegt hij er aan toe. “Volgens hen zorgt de fundamentele economische psychologie ervoor dat weinig mensen bereid zullen zijn tijd te besteden met te beslissen of ze die kleine dingen afzonderlijk zullen kopen. Ze benadrukken dat juist daarom websites met een grote hoeveelheid content bij het publiek een groot succes hebben.”
Zo lijkt PayPal niet van plan te zijn om over te stappen op micro-payments. “Met 35 miljoen gebruikers zou het bedrijf nochtans in die sector een gigant kunnen zijn, op voorwaarde dat het zijn commissie-systeem zou veranderen,” aldus Bergstein. “Maar het bedrijf is van oordeel dat niemand hiermee veel geld zal verdienen.”
Bij RedPaper.com – waar 26.000 gebruikers proza, poëzie en artikels kopen en verkopen – wordt een andere kritiek naar voor geschoven. “De technologie achter micro-payments is zo simpel dat niemand bereid zal zijn om bedrijven als BitPass een commissie te betalen, wanneer ze die technologie zelf kunnen bouwen,” luidt het daar.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Mini-websites als data-verzamelaar
Nadat de Franse kledinglijn Lacoste in september van vorig jaar een speciale mini-website lanceerde voor vrouwen, werd tijdens de voorbije maand een gelijkaardig initiatief voor mannen online gebracht. Daarmee wil Lacoste volgens Journal du Net in de eerste instantie zijn gegevensbank aanvullen, maar ook zijn merk communiceren en zijn mode-imago onder de internetbevolking verspreiden.
De mini-website omvatte een wedstrijd, onderwerpen over stijl en de top-producten van het merk. “Met de wedstrijd wilden we vooral adressen verzamelen voor toekomstige e-mailing campagnes,” vertelde Didier Calon, reclamedirecteur van Lacoste. “Daarvoor werd gebruik gemaakt van tennissers die door Lacoste gesponsord worden.” Het merk maakt van het internet echter geen gebruik om gericht op merktrouw te werken. Daarvoor wordt gerekend op de boetieks. De website wordt gebruikt als uitstalraam en relationeel instrument.
Wel maakte men van de Lacoste-site gebruik om de merkstijl, een mengeling van sportief en elegant, te benadrukken. “Daarbij toonden we hoe verschillende combinaties gedragen kunnen worden,” vertelde Calon aan Raphaele Karayan van Journal du Net. Enkele jaren geleden was Lacoste geen echt modemerk en Calon stelt te beseffen dat de inspanningen om daarin verandering te brengen niet eeuwig effect blijven hebben.
Door zich met de website speciaal te richten op het online mannelijk publiek, wil Lacoste volgens Karayan zijn publiek verjongen. “Op dit ogenblik bestaat een belangrijk deel van ons cliënteel uit mensen tussen de 25 en de 40 jaar, maar we willen ons in de toekomst vooral richten op de groep van 18- tot 35-jarigen,” aldus Calon.
De lancering van de mini-website ging gepaard met een mediaplan dat werd opgesteld door het bureau Duke. Er werden banners geplaatst op typisch mannelijk gerichte websites, zoals die van L’Equipe, maar ook op algemene media, zoals L’Express of Télérama. Karayan stelt dat Lacoste in de toekomst nog verder zal werken met de strategie van mini-websites. Zo komt er nog dit jaar een speciale website voor een nieuwe lijn, die al een groot succes blijkt te zijn in de Verenigde Staten.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Nadat de Franse kledinglijn Lacoste in september van vorig jaar een speciale mini-website lanceerde voor vrouwen, werd tijdens de voorbije maand een gelijkaardig initiatief voor mannen online gebracht. Daarmee wil Lacoste volgens Journal du Net in de eerste instantie zijn gegevensbank aanvullen, maar ook zijn merk communiceren en zijn mode-imago onder de internetbevolking verspreiden.
De mini-website omvatte een wedstrijd, onderwerpen over stijl en de top-producten van het merk. “Met de wedstrijd wilden we vooral adressen verzamelen voor toekomstige e-mailing campagnes,” vertelde Didier Calon, reclamedirecteur van Lacoste. “Daarvoor werd gebruik gemaakt van tennissers die door Lacoste gesponsord worden.” Het merk maakt van het internet echter geen gebruik om gericht op merktrouw te werken. Daarvoor wordt gerekend op de boetieks. De website wordt gebruikt als uitstalraam en relationeel instrument.
Wel maakte men van de Lacoste-site gebruik om de merkstijl, een mengeling van sportief en elegant, te benadrukken. “Daarbij toonden we hoe verschillende combinaties gedragen kunnen worden,” vertelde Calon aan Raphaele Karayan van Journal du Net. Enkele jaren geleden was Lacoste geen echt modemerk en Calon stelt te beseffen dat de inspanningen om daarin verandering te brengen niet eeuwig effect blijven hebben.
Door zich met de website speciaal te richten op het online mannelijk publiek, wil Lacoste volgens Karayan zijn publiek verjongen. “Op dit ogenblik bestaat een belangrijk deel van ons cliënteel uit mensen tussen de 25 en de 40 jaar, maar we willen ons in de toekomst vooral richten op de groep van 18- tot 35-jarigen,” aldus Calon.
De lancering van de mini-website ging gepaard met een mediaplan dat werd opgesteld door het bureau Duke. Er werden banners geplaatst op typisch mannelijk gerichte websites, zoals die van L’Equipe, maar ook op algemene media, zoals L’Express of Télérama. Karayan stelt dat Lacoste in de toekomst nog verder zal werken met de strategie van mini-websites. Zo komt er nog dit jaar een speciale website voor een nieuwe lijn, die al een groot succes blijkt te zijn in de Verenigde Staten.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Koeien als televisie-vedetten
Belle en Bonte waren tijdens de laatste week van het jaar in de Verenigde Staten zo ongeveer de meest gevraagde televisiesterren. Belle en Bonte? Juist, koeien. De National Cattleman’s Beef Association (NCBA) stuurde immers een aantal filmploegen naar platte land om reportages te maken over gezond vee. Daardoor wilde men duidelijk maken dat er met het Amerikaans rundsvlees, ondanks een geval van gekke koeienziekte, niets aan de hand is.
De films tonen hoe het vee gevoederd wordt en werden naar enkele tientallen televisiestations, zowel nationaal als regionaal. “Daarmee willen we een halt toeroepen aan de oude films over de uitbraak van de BSE-ziekte in Engeland die nu overal plots opduiken,” vertelde Mark Thomas, marketing-verantwoordelijke bij NCBA, aan Sherri Day van The New York Times. In die films worden beelden getoond van dieren bij wie de ziekte in een vergevorderd stadium is geraakt. “Hiermee bewijst men de Amerikaanse bevolking geen dienst,” vervolgde Thomas. “Dat is geen correcte weergave van de feiten en is zeker niet representatief voor de productie van rundsvlees in dit land.”
De NCBA had voor het einde van deze maand een televisiecampagne gepland rond het thema ‘Beef, It’s What’s for Dinner’. Van die planning wordt niet afgeweken en ook andere vertegenwoordigers van de sector proberen het BSE-incident niet te zeer in de verf te zetten. Burger King besteedt in zijn campagnes wel meer aandacht aan kippenvlees, maar stelt verder alle vertrouwen te blijven hebben in rundsvlees en de veiligheid van het productieproces.
McDonald’s lanceerde een public relations campagne, waarbij benadrukt werd dat het BSE-geval in Washington State geen verband heeft met de productieketen van de fast-food groep. Er werd een brief gepubliceerd op de website van het concern en bezorgde klanten kregen daarvan in de restaurants een gedrukte versie. McDonald’s voegde er aan toe heel wat ervaring te hebben met dergelijke incidenten in andere landen en te weten hoe daarmee moet omgesprongen worden.
Sherry Day schrijft dat andere bedrijven, zoals Kraft Foods en Wendy’s International, geen plannen hadden om in verband met de BSE-crisis speciale inspanningen te doen. Bij Swift & Company merkte men op dat campagnes voor andere voedselsoorten of vegetarische producten een negatief effect zouden kunnen hebben op de consumptie van rundsvlees. Zo zou de groep People for the Ethical Treatment of Animals voor één van de volgende weken een reclame-campagne voorzien hebben. “Ik denk dat sommige mensen van deze gelegenheid gebruik willen maken om andere agenda’s te promoten en om schrikwekkende boodschappen over vlees rond te sturen en ik ben van mening dat men de consument daar geen dienst mee bewijst,” stelde Swift-woordvoerder Jim Herlihy.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Belle en Bonte waren tijdens de laatste week van het jaar in de Verenigde Staten zo ongeveer de meest gevraagde televisiesterren. Belle en Bonte? Juist, koeien. De National Cattleman’s Beef Association (NCBA) stuurde immers een aantal filmploegen naar platte land om reportages te maken over gezond vee. Daardoor wilde men duidelijk maken dat er met het Amerikaans rundsvlees, ondanks een geval van gekke koeienziekte, niets aan de hand is.
De films tonen hoe het vee gevoederd wordt en werden naar enkele tientallen televisiestations, zowel nationaal als regionaal. “Daarmee willen we een halt toeroepen aan de oude films over de uitbraak van de BSE-ziekte in Engeland die nu overal plots opduiken,” vertelde Mark Thomas, marketing-verantwoordelijke bij NCBA, aan Sherri Day van The New York Times. In die films worden beelden getoond van dieren bij wie de ziekte in een vergevorderd stadium is geraakt. “Hiermee bewijst men de Amerikaanse bevolking geen dienst,” vervolgde Thomas. “Dat is geen correcte weergave van de feiten en is zeker niet representatief voor de productie van rundsvlees in dit land.”
De NCBA had voor het einde van deze maand een televisiecampagne gepland rond het thema ‘Beef, It’s What’s for Dinner’. Van die planning wordt niet afgeweken en ook andere vertegenwoordigers van de sector proberen het BSE-incident niet te zeer in de verf te zetten. Burger King besteedt in zijn campagnes wel meer aandacht aan kippenvlees, maar stelt verder alle vertrouwen te blijven hebben in rundsvlees en de veiligheid van het productieproces.
McDonald’s lanceerde een public relations campagne, waarbij benadrukt werd dat het BSE-geval in Washington State geen verband heeft met de productieketen van de fast-food groep. Er werd een brief gepubliceerd op de website van het concern en bezorgde klanten kregen daarvan in de restaurants een gedrukte versie. McDonald’s voegde er aan toe heel wat ervaring te hebben met dergelijke incidenten in andere landen en te weten hoe daarmee moet omgesprongen worden.
Sherry Day schrijft dat andere bedrijven, zoals Kraft Foods en Wendy’s International, geen plannen hadden om in verband met de BSE-crisis speciale inspanningen te doen. Bij Swift & Company merkte men op dat campagnes voor andere voedselsoorten of vegetarische producten een negatief effect zouden kunnen hebben op de consumptie van rundsvlees. Zo zou de groep People for the Ethical Treatment of Animals voor één van de volgende weken een reclame-campagne voorzien hebben. “Ik denk dat sommige mensen van deze gelegenheid gebruik willen maken om andere agenda’s te promoten en om schrikwekkende boodschappen over vlees rond te sturen en ik ben van mening dat men de consument daar geen dienst mee bewijst,” stelde Swift-woordvoerder Jim Herlihy.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Saturday, January 03, 2004
Internet: niet alleen meer browsen
Steeds meer mensen gebruiken het internet via andere toepassingen dan met een browser. Uit een onderzoek van Nielsen/NetRatings bleek alvast dat drie op vier internauten gebruikt maakt van media players, instant messengers en file sharing.
Van die toepassingen was Windows Media Player met 34 procent de meest populaire, gevolgd door AOL Messenger en Real Player (20 procent). MSN Messenger bleek in het onderzoek, uitgevoerd in de maand november van vorig jaar, een score van 19 procent te halen, terwijl Yahoo! Messenger aan 12 procent kwam.
Het onderzoek wees verder uit dat de gebruikers deze toepassingen gemiddeld drie uur en 37 minuten per maand gebruiken. “Het gebruik van het internet is veel meer geworden dan het browsen,” merkt Nielsen-analyst Abha Bahagat op. “Het wordt voor het publiek ook veel moeilijker om te onderscheiden wanneer het op het internet actief is. De grenzen tussen de desktop en het web vervagen.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Steeds meer mensen gebruiken het internet via andere toepassingen dan met een browser. Uit een onderzoek van Nielsen/NetRatings bleek alvast dat drie op vier internauten gebruikt maakt van media players, instant messengers en file sharing.
Van die toepassingen was Windows Media Player met 34 procent de meest populaire, gevolgd door AOL Messenger en Real Player (20 procent). MSN Messenger bleek in het onderzoek, uitgevoerd in de maand november van vorig jaar, een score van 19 procent te halen, terwijl Yahoo! Messenger aan 12 procent kwam.
Het onderzoek wees verder uit dat de gebruikers deze toepassingen gemiddeld drie uur en 37 minuten per maand gebruiken. “Het gebruik van het internet is veel meer geworden dan het browsen,” merkt Nielsen-analyst Abha Bahagat op. “Het wordt voor het publiek ook veel moeilijker om te onderscheiden wanneer het op het internet actief is. De grenzen tussen de desktop en het web vervagen.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Irak kost dertien journalisten het leven
Tijdens het voorbije jaar werden in Irak dertien journalisten gedood terwijl ze de oorlogsgebeurtenissen versloegen. Dat is volgens het Committee to Protect Journalists (CPJ) het hoogste dodenaantal in één land sinds 1995. Toen lieten in Algerije 24 journalisten het leven.
In 2002 werden er over de hele wereld 19 journalisten gedood, maar dat liep het voorbije jaar op tot 36 slachtoffers. “Dat is vooral te wijten aan de oorlogsvoering in Irak,” merkte CPJ-directeur Ann Cooper op. “Irak is nog altijd een gevaarlijke plek om te werken. Het blijft echter nog altijd een groot verhaal, voorl voor de Amerikaanse media. Er vertoeven waarschijnlijk honderden journalisten in Irak en zij lopen nog altijd groot gevaar.”
De CPJ benadrukte nog altijd bijzonder geschokt te zijn door de vier journalisten die in Irak gedood werden als gevolg van Amerikaanse militaire acties en de vereniging riep het Pentagon op om daarvoor in het openbaar zijn verontschuldiging aan te bieden. In de lijst van de slachtoffers werden alleen journalisten opgenomen die gedood werden als een direct gevolg van hun werk. Er werd geen rekening gehouden met de zes andere journalisten die aan de gevolgen van een ongeval of gezondheidsproblemen overleden. Daarnaast onderzoekt het CPJ de verdwijning van vier journalisten en twaalf collega’s die gedood zouden kunnen zijn tijdens de uitvoering van hun werk.
In de Filippijnen werden vijf journalisten gedood, vier in Colombie, twee in Brazilië en Israel – met inbegrip van de bezette gebieden – en één in Cambodja, Guatemala, India, Indonesië, Iran, Ivoorkust, Nepal, Pakistan, Rusland en Somalië.
Reacties: gazttenpraat@yahoo.com
Tijdens het voorbije jaar werden in Irak dertien journalisten gedood terwijl ze de oorlogsgebeurtenissen versloegen. Dat is volgens het Committee to Protect Journalists (CPJ) het hoogste dodenaantal in één land sinds 1995. Toen lieten in Algerije 24 journalisten het leven.
In 2002 werden er over de hele wereld 19 journalisten gedood, maar dat liep het voorbije jaar op tot 36 slachtoffers. “Dat is vooral te wijten aan de oorlogsvoering in Irak,” merkte CPJ-directeur Ann Cooper op. “Irak is nog altijd een gevaarlijke plek om te werken. Het blijft echter nog altijd een groot verhaal, voorl voor de Amerikaanse media. Er vertoeven waarschijnlijk honderden journalisten in Irak en zij lopen nog altijd groot gevaar.”
De CPJ benadrukte nog altijd bijzonder geschokt te zijn door de vier journalisten die in Irak gedood werden als gevolg van Amerikaanse militaire acties en de vereniging riep het Pentagon op om daarvoor in het openbaar zijn verontschuldiging aan te bieden. In de lijst van de slachtoffers werden alleen journalisten opgenomen die gedood werden als een direct gevolg van hun werk. Er werd geen rekening gehouden met de zes andere journalisten die aan de gevolgen van een ongeval of gezondheidsproblemen overleden. Daarnaast onderzoekt het CPJ de verdwijning van vier journalisten en twaalf collega’s die gedood zouden kunnen zijn tijdens de uitvoering van hun werk.
In de Filippijnen werden vijf journalisten gedood, vier in Colombie, twee in Brazilië en Israel – met inbegrip van de bezette gebieden – en één in Cambodja, Guatemala, India, Indonesië, Iran, Ivoorkust, Nepal, Pakistan, Rusland en Somalië.
Reacties: gazttenpraat@yahoo.com
Banvloek op ‘metrosexuals’ en ‘embedded journalist’
Linguisten vinden dat het woord ‘metrosexual’ dringend uit het taalgebruik moet verwijderd worden. Dat blijkt uit een overzicht van de Lake Superior State University, dat sinds 1976 jaarlijks een lijst met de meest irritante, trendy woorden gebruikt. Bekende irritante woorden van die bijna voorbije dertig jaar zijn verder onder meer ‘détente’ (1976), ‘baby boomers’ (1989), ‘paradigm’ (1994) en ‘chad’ (2001).
Vanuit de hele wereld kwamen vijfduizend nominaties binnen voor de 'List of Words Banished from the Queen's English for Mis-Use, Over-Use and General Uselessness'. Uiteindelijk werden in de lijst zeventien woorden en zinnen opgenomen. Metrosexual bleek het uiteindelijke kiescomité het meest de keel uit te hangen. “Het lijkt alsof het over iemand geaat die alleen maar seks heeft in het stadscentrum of de metro,” luidde het commentaar. “Bestaan er soms niet genoeg woorden voor mannen die teveel tijd voor de spiegel staan.”
De letter x kon al evenmin bekoren. “Dit is echt een gebruik dat gelanceerd is door pr-lui en marketeers,” aldus de jury. “Zij willen daarmee inhaken op de Generation X-categorie en vinden termen uit als X-files, Xtreme, Windows XP en X-Box.” Ook het woord punked (‘in de luren gelegd’) doet het bijzonder slecht. “Een televisieprogramma – The Frank and Johnny Show – heeft deze oude draak weer nieuw leven ingeblazen,” wordt er opgemerkt. “Zo vlug mogelijk weg ermee.”
Andere veroordeelde termen zijn ‘place stamp here’ (“Kunnen we onszelf als een supermacht beschouwen als we er steeds moeten aan herinnerd worden dat we een postzegel moeten plakken op een enveloppe?”), ‘companion animals’ (“Het zijn nog altijd gewoon ‘pets’!”), ‘bling-bling’ (“Ooit was dit een slang-woord voor luxegoederen, maar nu heeft iedereen het in zijn taalgebruik opgenomen. Zelfs onze grootmoeder. Niets kan de mystiek van een woord sneller vermoorden.”)
Ook het internet en de e-mail taal krijgen ervan langs, met banbliksems voor termen als ‘LOL’, ‘@’, ‘U r chattin to sum1 then… lol’ in reclame en andere sectoren. “Ik vraag me af of iemand inderdaad werkelijk luidop lacht wanneer hij dit soort stene Instant Messenger slang gebruikt,” merkt de jury streng op.
De oorlog in Irak zorgde ook voor heel wat irriterende termen, zoals ‘embedded journalist, ‘smoking gun’, ‘shock and awe’, ‘captured alive’ en ‘shots rang out’. Het lijstje omvat verder termen als ‘ripped from the headlines’, ‘sweat like a pig’, ‘in harm’s way’, ‘hand-crafted latte’ en ‘sanitary landfill’. De hele lijst, met begeleidende uitleg is terug te vinden op de website www.lssu.edu/banished.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Linguisten vinden dat het woord ‘metrosexual’ dringend uit het taalgebruik moet verwijderd worden. Dat blijkt uit een overzicht van de Lake Superior State University, dat sinds 1976 jaarlijks een lijst met de meest irritante, trendy woorden gebruikt. Bekende irritante woorden van die bijna voorbije dertig jaar zijn verder onder meer ‘détente’ (1976), ‘baby boomers’ (1989), ‘paradigm’ (1994) en ‘chad’ (2001).
Vanuit de hele wereld kwamen vijfduizend nominaties binnen voor de 'List of Words Banished from the Queen's English for Mis-Use, Over-Use and General Uselessness'. Uiteindelijk werden in de lijst zeventien woorden en zinnen opgenomen. Metrosexual bleek het uiteindelijke kiescomité het meest de keel uit te hangen. “Het lijkt alsof het over iemand geaat die alleen maar seks heeft in het stadscentrum of de metro,” luidde het commentaar. “Bestaan er soms niet genoeg woorden voor mannen die teveel tijd voor de spiegel staan.”
De letter x kon al evenmin bekoren. “Dit is echt een gebruik dat gelanceerd is door pr-lui en marketeers,” aldus de jury. “Zij willen daarmee inhaken op de Generation X-categorie en vinden termen uit als X-files, Xtreme, Windows XP en X-Box.” Ook het woord punked (‘in de luren gelegd’) doet het bijzonder slecht. “Een televisieprogramma – The Frank and Johnny Show – heeft deze oude draak weer nieuw leven ingeblazen,” wordt er opgemerkt. “Zo vlug mogelijk weg ermee.”
Andere veroordeelde termen zijn ‘place stamp here’ (“Kunnen we onszelf als een supermacht beschouwen als we er steeds moeten aan herinnerd worden dat we een postzegel moeten plakken op een enveloppe?”), ‘companion animals’ (“Het zijn nog altijd gewoon ‘pets’!”), ‘bling-bling’ (“Ooit was dit een slang-woord voor luxegoederen, maar nu heeft iedereen het in zijn taalgebruik opgenomen. Zelfs onze grootmoeder. Niets kan de mystiek van een woord sneller vermoorden.”)
Ook het internet en de e-mail taal krijgen ervan langs, met banbliksems voor termen als ‘LOL’, ‘@’, ‘U r chattin to sum1 then… lol’ in reclame en andere sectoren. “Ik vraag me af of iemand inderdaad werkelijk luidop lacht wanneer hij dit soort stene Instant Messenger slang gebruikt,” merkt de jury streng op.
De oorlog in Irak zorgde ook voor heel wat irriterende termen, zoals ‘embedded journalist, ‘smoking gun’, ‘shock and awe’, ‘captured alive’ en ‘shots rang out’. Het lijstje omvat verder termen als ‘ripped from the headlines’, ‘sweat like a pig’, ‘in harm’s way’, ‘hand-crafted latte’ en ‘sanitary landfill’. De hele lijst, met begeleidende uitleg is terug te vinden op de website www.lssu.edu/banished.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Friday, January 02, 2004
Verdwijnt het internet uit ons leven?
De meeste mediaspecialisten zijn het er over eens dat het internet definitief aan een heropleving toe is, maar dat is niet de mening van het Amerikaanse marketingbureau e-agency (Oakland). Dat bureau lanceerde tijdens de laatste week van het voorbije jaar enkele opvallende voorspellingen voor 2004. Eén uitspraakt beweert dat het internet dit jaar zal verdwijnen.
Ross Fadner schrijft in Mediapost dat deze uitspraak uiteraard niet letterlijk genomen moet worden. “Volgens ons wordt zal het internet door al zijn toepassingen een geïntegreerd deel van ons leven beginnen uit te maken, zoals watervoorziening, elektriciteit en het geschreven woord,” benadrukt het bureau. “Het internet wordt een onderdeel van alles wat we gebruiken, zodat we er niet meer aan zullen denken. Het internet is niet meer louter een computer-toepassing.”
E-agency stelt dat in 2004 de draadloze communicatie, van telefoon en laptop tot camera’s en coffee shops een belangrijk deel zullen uitmaken van de verdere verspreiding van de online cultuur. Voor de Verenigde Staten zelf wordt voorspeld dat de presidentsverkiezingen er zullen voor zorgen dat ook de politiek massaal op het internet zal doorbreken, gaande van campagnes tot de manier waarop er gestemd zal worden. Daarnaast meent e-agency ook dat reclame rond zoekopdrachten een instrument zal worden dat de consument bereid is te gebruiken, zodat het hem uiteindelijk zelfs niet meer zal opvallen.
Ook dit jaar zal spam volgens e-agency nog niet de wereld uit zijn. “Er worden niet voldoende massavernietigings wapens op gegooid,” merkt het bureau op. “Er is wel een beginnende wetgeving en ook bedrijven zoeken naar middelen om de mailboxen uit te zuiveren. Er zullen op dat gebied een aantal succesjes geboekt worden, maar er moet met spam-controle ook omzichtig omgesprongen worden. Het zou regeringen kunnen aanmoedigen om ook op andere vlakken het internet onder een striktere controle te willen brengen.”
Tenslotte wordt er gesteld dat er weer geld begint te vloeien naar het internet, meer zelfs dan ooit voordien. “Snuggere bedrijven zullen snel investeren om hun aanwezigheid op het internet te vergroten,” aldus e-agency. “Daarbij moet niet alleen aandacht besteed worden aan de publieke websites, maar ook aan operationeel gerichte intranetten en extranetten. Bovendien zullen zij ook hun online reclame investeringen uitbreiden, maar gericht op voorspelbare returns en een voorzichtig management van de gespendeerde budgetten.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
De meeste mediaspecialisten zijn het er over eens dat het internet definitief aan een heropleving toe is, maar dat is niet de mening van het Amerikaanse marketingbureau e-agency (Oakland). Dat bureau lanceerde tijdens de laatste week van het voorbije jaar enkele opvallende voorspellingen voor 2004. Eén uitspraakt beweert dat het internet dit jaar zal verdwijnen.
Ross Fadner schrijft in Mediapost dat deze uitspraak uiteraard niet letterlijk genomen moet worden. “Volgens ons wordt zal het internet door al zijn toepassingen een geïntegreerd deel van ons leven beginnen uit te maken, zoals watervoorziening, elektriciteit en het geschreven woord,” benadrukt het bureau. “Het internet wordt een onderdeel van alles wat we gebruiken, zodat we er niet meer aan zullen denken. Het internet is niet meer louter een computer-toepassing.”
E-agency stelt dat in 2004 de draadloze communicatie, van telefoon en laptop tot camera’s en coffee shops een belangrijk deel zullen uitmaken van de verdere verspreiding van de online cultuur. Voor de Verenigde Staten zelf wordt voorspeld dat de presidentsverkiezingen er zullen voor zorgen dat ook de politiek massaal op het internet zal doorbreken, gaande van campagnes tot de manier waarop er gestemd zal worden. Daarnaast meent e-agency ook dat reclame rond zoekopdrachten een instrument zal worden dat de consument bereid is te gebruiken, zodat het hem uiteindelijk zelfs niet meer zal opvallen.
Ook dit jaar zal spam volgens e-agency nog niet de wereld uit zijn. “Er worden niet voldoende massavernietigings wapens op gegooid,” merkt het bureau op. “Er is wel een beginnende wetgeving en ook bedrijven zoeken naar middelen om de mailboxen uit te zuiveren. Er zullen op dat gebied een aantal succesjes geboekt worden, maar er moet met spam-controle ook omzichtig omgesprongen worden. Het zou regeringen kunnen aanmoedigen om ook op andere vlakken het internet onder een striktere controle te willen brengen.”
Tenslotte wordt er gesteld dat er weer geld begint te vloeien naar het internet, meer zelfs dan ooit voordien. “Snuggere bedrijven zullen snel investeren om hun aanwezigheid op het internet te vergroten,” aldus e-agency. “Daarbij moet niet alleen aandacht besteed worden aan de publieke websites, maar ook aan operationeel gerichte intranetten en extranetten. Bovendien zullen zij ook hun online reclame investeringen uitbreiden, maar gericht op voorspelbare returns en een voorzichtig management van de gespendeerde budgetten.”
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Viagra lijstaanvoerder spam
In spam-berichten wordt vooral het erectiemiddel Viagra aangeboden. Dat blijkt althans uit de onderzoek van de internet provider AOL. Ook andere geneesmiddelen zijn in de AOL-top tien terug te vinden, samen met acties van de apothekers die hen verkopen. Pornografische aanbiedingen zijn slechts op de negende plaats terug te vinden.
Apothekers nemen de tweede plaats in, gevolgd door diensten in verband met de afbouw van schulden. Op vier vond AOL aanbiedingen om de omvang van de anatomie – lees borst- en penisvergrotingen – en het seksleven te verbeteren. Online diploma’s maakten de top vijf rond. Verder volgen goedkope hypotheken, goedkope verzekeringen en thuiswerk. Typisch Amerikaans is nummer tien, met aanbiedingen voor producten die in de talkshows van Oprah naar voor zijn gekomen.
In een commentaar stelt AOL – de grootste Amerikaanse aanbieder van online services – dat spam weliswaar een grote activiteit vertoont, maar dat het bedrijf zelf tijdens het voorbije jaar een half triljoen spamberichten heeft geblokkeerd.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
In spam-berichten wordt vooral het erectiemiddel Viagra aangeboden. Dat blijkt althans uit de onderzoek van de internet provider AOL. Ook andere geneesmiddelen zijn in de AOL-top tien terug te vinden, samen met acties van de apothekers die hen verkopen. Pornografische aanbiedingen zijn slechts op de negende plaats terug te vinden.
Apothekers nemen de tweede plaats in, gevolgd door diensten in verband met de afbouw van schulden. Op vier vond AOL aanbiedingen om de omvang van de anatomie – lees borst- en penisvergrotingen – en het seksleven te verbeteren. Online diploma’s maakten de top vijf rond. Verder volgen goedkope hypotheken, goedkope verzekeringen en thuiswerk. Typisch Amerikaans is nummer tien, met aanbiedingen voor producten die in de talkshows van Oprah naar voor zijn gekomen.
In een commentaar stelt AOL – de grootste Amerikaanse aanbieder van online services – dat spam weliswaar een grote activiteit vertoont, maar dat het bedrijf zelf tijdens het voorbije jaar een half triljoen spamberichten heeft geblokkeerd.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
Belgisch journalist ontslagen na kritiek op Franse collega’s
De Amerikaanse pers werd tijdens de oorlog in Irak van overdreven patriotisme beschuldigd, maar blijkt daarbij volgens de Belgische journalist Alain Hertoghe niet de enige geweest te zijn. In zijn boek ‘La Guerre à Outrances’ stelt hij dat de Franse pers voortdurend de kar van de Franse overheid volgde en systematisch tegen de coalitie schreef die door de Amerikanen werd geleid. Hertoghe is inmiddels door zijn werkgever La Croix ontslagen.
“De Franse pers hamerde er voortdurend op dat de coalitie de oorlog in Irak zou verliezen,” vertelde hij aan Elaine Ganley van The Guardian. “De Franse lezers kunnen dan ook niet begrijpen waarom de Amerikanen de oorlog toch gewonnen hebben. De Franse pers was niet neutraal. De journalisten lieten zich vooral leiden door patriotistische motieven in plaats van door journalistieke normen. Dit is desinformatie.”
Het boek werd gepubliceerd in oktober en volgt de dagelijkse oorlogsverslaggeving in vijf grote Franse kranten, waaronder zijn eigen La Croix, tijdens de drie weken van de eerste aanvallen op Bagdad tot de val van het Saddam-regime. “De Franse journalisten weerspiegelden vooral de Franse emoties en niet de realiteit op het slagveld,” stelde Hertoghe. “De pers liet zich meesleuren in de rol die de Franse overheid in de Verenigde Naties wilde spelen als leider van een anti-oorlog-coalitie.”
Hertoghe was tijdens de oorlog assistent-hoofdredacteur van de online editie van La Croix. Naast zijn eigen krant, onderzocht hij ook Le Monde, Le Figare, Libération en Ouest France. De Belgische journalist werd midden december door zijn krant ontslagen. Na de publicatie van zijn boek zou de krantendirectie volgens Hertoghe een gebrek aan vertrouwen als reden voor het ontslag hebben ingeroepen. Ook zou opgemerkt zijn dat hij de reputatie van de krant had beschadigd. Volgens de uitgever van het boek bleef het in de Franse pers wel heel opvallend stil over ‘La Guerre à Outrances’.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com
De Amerikaanse pers werd tijdens de oorlog in Irak van overdreven patriotisme beschuldigd, maar blijkt daarbij volgens de Belgische journalist Alain Hertoghe niet de enige geweest te zijn. In zijn boek ‘La Guerre à Outrances’ stelt hij dat de Franse pers voortdurend de kar van de Franse overheid volgde en systematisch tegen de coalitie schreef die door de Amerikanen werd geleid. Hertoghe is inmiddels door zijn werkgever La Croix ontslagen.
“De Franse pers hamerde er voortdurend op dat de coalitie de oorlog in Irak zou verliezen,” vertelde hij aan Elaine Ganley van The Guardian. “De Franse lezers kunnen dan ook niet begrijpen waarom de Amerikanen de oorlog toch gewonnen hebben. De Franse pers was niet neutraal. De journalisten lieten zich vooral leiden door patriotistische motieven in plaats van door journalistieke normen. Dit is desinformatie.”
Het boek werd gepubliceerd in oktober en volgt de dagelijkse oorlogsverslaggeving in vijf grote Franse kranten, waaronder zijn eigen La Croix, tijdens de drie weken van de eerste aanvallen op Bagdad tot de val van het Saddam-regime. “De Franse journalisten weerspiegelden vooral de Franse emoties en niet de realiteit op het slagveld,” stelde Hertoghe. “De pers liet zich meesleuren in de rol die de Franse overheid in de Verenigde Naties wilde spelen als leider van een anti-oorlog-coalitie.”
Hertoghe was tijdens de oorlog assistent-hoofdredacteur van de online editie van La Croix. Naast zijn eigen krant, onderzocht hij ook Le Monde, Le Figare, Libération en Ouest France. De Belgische journalist werd midden december door zijn krant ontslagen. Na de publicatie van zijn boek zou de krantendirectie volgens Hertoghe een gebrek aan vertrouwen als reden voor het ontslag hebben ingeroepen. Ook zou opgemerkt zijn dat hij de reputatie van de krant had beschadigd. Volgens de uitgever van het boek bleef het in de Franse pers wel heel opvallend stil over ‘La Guerre à Outrances’.
Reacties: gazettenpraat@yahoo.com